2000/52 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Zorgcentrum Woerden

tegen

de redactie van Netwerk

Bij brief van 15 maart 2000 met twee bijlagen, aangevuld bij brief van 29 maart 2000 met één bijlage, heeft G.M. Siegerink, directeur Zorg, namens Zorgcentrum Woerden te Woerden (klaagster) een klacht ingediend tegen de redactie van Netwerk (verweerder). Hierop heeft drs. Maria L. Henneman, hoofdredacteur van Netwerk (AVRO) gereageerd in een brief van 24 mei 2000 met zeven bijlagen. Op 8 juni is namens klaagster nog een aanvullend stuk ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juli 2000. Namens klaagster verscheen de heer C. de Graaf. Namens verweerder verschenen W. van der Horst, verslagggever en W. Rombag, bedrijfsjurist.

DE FEITEN

Naar aanleiding van kamervragen die het 2e Kamerlid B. Dittrich zou gaan stellen was de uitzending van Netwerk van 7 maart 2000 gewijd aan de wijze waarop verschillende betrokken instanties met falend medisch handelen plegen om te gaan. Dittrich had hierover een 'zwartboek' samengesteld. Eén van de daarin genoemde gevallen, de zaak 'X' werd in de uitzending nader belicht. De dochter van de overleden patiënt kwam uitvoerig aan het woord. Zij uitte zware beschuldigingen aan het adres van verzorgingshuis De Vossenschans en verpleeghuis Weddesteyn, beide onderdeel van het Zorgcentrum Woerden. Volgens de dochter was haar vader overleden ten gevolge van een te hoge dosis medicijnen die hem in het verzorgingshuis zou zijn toegediend. Haar zou de toegang zijn ontzegd, toen zij haar vader in het verpleeghuis, waarnaar hij was overgeplaatst, wilde opzoeken. Ook zou er zijn geknoeid met de naam van de arts in de overlijdensakte. Het verzorgingshuis, zo werd weergegeven in tekst in beeld, verwierp alle beschuldigingen. De uitzending werd besloten met de mededeling dat de zaak enkele dagen later door het medisch tuchtcollege zou worden behandeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het Zorgcentrum heeft bezwaar tegen het centraal stellen van de zaak 'X' in de uitzending, als een zaak waarin sprake was van medische missers. Ten onrechte is nagelaten in de uitzending te vermelden dat de Officier van Justitie, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Regionaal Medisch Tuchtcollege de klacht van de dochter van X al ongegrond hadden verklaard. De dochter staat bovendien geheel alleen in haar mening over de gang van zaken in het verzorgingshuis, de andere familieleden steunen haar niet. De verslaggever Van der Horst heeft weliswaar voor commentaar contact opgenomen met het Zorgcentrum, maar daarbij heeft hij een verkeerd beeld geschetst van de uitzending: het zou slechts gaan om het onderwerp van de kamervragen van Dittrich - het niet adequaat reageren door het Openbaar Ministerie op aangiftes van medische fouten - en niet speciaal over de zaak X of over de betrokken zorginstellingen. Netwerk heeft het Zorgcentrum niet aangeboden in de uitzending te verschijnen. Met de door de verpleeghuisarts en de nadien door de zoon van X versterkte informatie is bijzonder weinig gedaan. De gang van zaken is zeer eenzijdig belicht, aldus het Zorgcentrum.

Volgens Netwerk diende de zaak X louter ter illustratie van de in kamervragen en een zwartboek verpakte boodschap van Dittrich, dat in geval van medische fouten de nabestaanden onvoldoende toegang tot relevante informatie krijgen. Om privacyredenen zijn geen namen genoemd van artsen of verzorgenden. De uitzending suggereert dat het Zorgcentrum tekort is geschoten in de zorgvuldigheid waarmee X is behandeld. Die suggestie wordt volgens Netwerk gedragen door zorgvuldig onderzoek. Meerdere bronnen bevestigen dat er fouten zijn gemaakt met de medicijn- en voedselverstrekking in het Zorgcentrum. Er is sprake geweest van expliciete wederhoor. De reactie van de verpleeghuisarts is duidelijk in de uitzending weergegeven. Ook met de zoon van X is contact geweest. Hij was het oneens met zijn zus, maar wilde buiten de publiciteit blijven blijven. Om die reden is zijn verhaal niet in de uitzending gekomen. De aankondiging van de behandeling van de klacht door het Medisch Tuchtcollege is juist heel zorgvuldig, omdat daarmee duidelijk wordt gemaakt dat de klacht nog voorwerp van onderzoek is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens Netwerk vormden de kamervragen en het zwartboek van 2e kamerlid Dittrich het onderwerp van de uitzending op 7 maart 2000 en diende de zaak X slechts als illustratie. Naar het oordeel van de Raad paste deze illustratie echter niet bij het verhaal. Niet het door het kamerlid aan de orde gestelde mogelijke falen van het openbaar Ministerie stond bij dit onderwerp centraal, maar het mogelijk falen van de zorg voor de patiënt X.
In de gewraakte uitzending werden ernstige beschuldigingen geuit aan het adres van de instellingen behorend tot het Zorgcentrum. Daarbij is, gelet op de ernst van de beschuldigingen enerzijds en de voor Zorgcentrum gunstige oordelen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Regionaal Medisch Tuchtcollege anderzijds, de redactie te eenzijdig te werk gegaan en schetst de uitzending als geheel een ongerechtvaardigd negatief beeld van de handelwijze van Zorgcentrum. Zo hebben het commentaar van het Zorgcentrum en de geheel andere visie van de zoon van X op de gebeurtenissen ten onrechte niet geleid tot extra onderzoek naar de gang van zaken en is ten onrechte de in de uitzending geprononceerd naar voren komende visie van de dochter van X niet genuanceerd.
Door de oordelen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Regionaal Medisch Tuchtcollege niet in de uitzending te vermelden werd de op zichzelf al onnauwkeurige aankondiging van een zitting van "het Medisch Tuchtcollege" suggestief en misleidend.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Netwerk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 augustus 2000 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, M.J. Kes en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-52