2000/51 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Officier van Justitie te Amsterdam

tegen

de hoofdredacteur van NOS Radio

Bij brief van 27 april 2000 met één bijlage alsmede een audio-bandopname heeft J.M. Vrakking, Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NOS Radio (verweerder).
Hierop heeft H. van Hoorn, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 4 mei 2000, met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juli 2000. Namens klager verschenen J. Steenbrink en E. Ooteman. Verweerder verscheen in persoon, bijgestaan door mr. A. van Lijf, juridisch medewerker bij de NOS.

DE FEITEN

De eerste zittingsdag van het strafproces tegen verdachte Mink K. op 13 maart 2000 vond achter gesloten deuren plaats. Door een onzorgvuldigheid bleef de geluidsinstallatie in de perskamer open staan. Daardoor was hetgeen in de zittingszaal werd besproken in de perskamer te horen. De geluidskwaliteit was slecht en het volume laag. De aanwezige pers heeft opnamen en aantekeningen gemaakt van hetgeen te horen was. Een kort fragment van de verklaring van de verdachte, dat werd overgenomen uit een uitzending van RTL Nieuws, is door de NOS in het Radioprogramma 'Met het oog op morgen' diezelfde dag uitgezonden. De uitzending draaide vooral om het gegeven dat hetgeen tijdens de besloten zitting werd besproken in de perskamer te horen was. Met een advocaat werden de mogelijke juridische gevolgen hiervan besproken. De zaak Mink K. kwam daarbij inhoudelijk niet aan de orde.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat met de uitzending van de vertrouwelijke informatie grenzen zijn overschreden. Elke journalist weet of behoort te weten dat er bij een openbare zitting geen opnamen mogen worden gemaakt zonder dat de rechter hiervoor toestemming heeft gegeven. Elke journalist behoort te weten dat van een zitting achter gesloten deuren helemaal geen opnamen mogen worden gemaakt. In het onderhavige geval heeft de rechter aan de aanwezige journalisten duidelijk gemaakt dat de zitting achter gesloten deuren zou worden voortgezet. Zij moesten de zaal verlaten. Voor hen was de boodschap dus helder, aldus klager. In feite is artikel 139 e Wetboek van Strafrecht geschonden en is er sprake van een strafbaar feit.

Volgens verweerder had de gewraakte uitzending betrekking op het nieuwsfeit 'het openstaan van de geluidsinstallatie in de perskamer', de eventuele juridische gevolgen hiervan voor het strafproces tegen Mink K. en de eventuele gevolgen van verspreiding van de vertrouwelijke informatie door de media. Het uitgezonden, korte fragment was overgenomen van RTL-Nieuws en geselecteerd op gebrek aan inhoud en verstaanbaarheid. Het diende louter een illustratief doel. De NOS had niet het oogmerk 'vertrouwelijke informatie' te verspreiden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hetgeen besproken wordt tijdens een terechtzitting die ingevolge een beslissing van de rechter plaatsvindt achter gesloten deuren, is niet bedoeld voor openbaarmaking en levert dus vertrouwelijke informatie op. De rechter heeft in zo'n geval immers besloten dat die informatie geheim moet blijven in het belang van een goed verloop van de strafprocedure. Uitgangspunt moet zijn dat het belang van de openbaarheid van de rechtspraak en de vrije nieuwsgaring bij die besluitvorming is meegewogen. Reeds daarom zal een journalist, die niettegenstaande het bevel van de rechter tot sluiting van de deuren en anders dan door mededelingen van de bij de terechtzitting betrokkenen, zoals de verdachte, de leden van het openbaar ministerie, de rechter en eventuele op de zitting gehoorde getuigen, bekend raakt met de inhoud van wat op die zitting is besproken, zich hebben te onthouden van publicatie daarvan, in welke vorm ook. Journalisten hebben immers het resultaat van de door de rechter gemaakte afweging te eerbiedigen.
Dit betekent dat het maken van opnamen van wat op zo'n zitting is besproken en de uitzending daarvan via televisie dan ook journalistiek ontoelaatbaar is. Dat zou anders kunnen zijn in het uitzonderlijke geval dat tijdens die zitting zodanig ernstige misstanden zijn gebleken die niet op een andere wijze aan het licht zouden kunnen komen dat zij omwille van het algemeen belang publicatie met veronachtzaming van de rechterlijke beslissing tot sluiting van de deuren zouden rechtvaardigen. Bovendien moet, indien zich zo'n geval voordoet, er een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden alvorens tot uitzending wordt overgegaan.

De uitzending van RTL Nieuws, waaruit de NOS citeerde, had, naar de Raad bekend is, betrekking op de vertrouwelijke informatie die ten gevolge van het openstaan van de microfoon in de perskamer te horen was. De uitgezonden fragmenten moesten bewijzen dat verdachte Mink K. een informant was van politie en justitie. Deze informatie kan niet worden aangemerkt als van wezenlijk belang om een ernstige misstand aan de kaak te stellen. Bovendien waren er andere middelen voorhanden om, als er al van een misstand sprake zou zijn, die openbaar te maken. Van belang is tevens dat niet is gebleken dat de belangen van de verdachte en van justitie zijn meegewogen bij de beslissing om de opgenomen fragmenten op te nemen en uit te zenden.
In dit geval zijn daarom de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Er behoort hier overigens geen onderscheid te bestaan ten aanzien van de schrijvende pers en het citeren in een radio- of televisieprogramma van wat in de schrijvende pers omtrent de inhoud van het verhandelde op de zitting is meegedeeld. Immers de hierboven geformuleerde uitgangspunten gelden ook voor de schrijvende pers.

Wat nu de uitzending van de NOS betreft geldt het volgende. Dat er tijdens de besloten zitting in het strafproces tegen Mink K. iets mis ging en hetgeen in de zittingszaal werd besproken in de perskamer te horen was, betrof een belangrijk nieuwsfeit. Verweerder heeft aan dit nieuwsfeit aandacht besteed in het programma Met het Oog op Morgen. Daarbij ging het niet om de inhoud van hetgeen tijdens de besloten zitting werd besproken. De inhoud van het uitgezonden fragment werd niet nader toegelicht, de zaak Mink K. bleef onbesproken. Verweerder heeft, alvorens tot uitzending werd overgegaan een afweging gemaakt, waarbij de vraag of bepaalde belangen door de openbaarmaking werden geschonden danwel in gevaar werden gebracht, is betrokken. Gekozen is voor uitzending van een fragment dat qua inhoud en verstaanbaarheid beperkte waarde had en louter diende ter illustratie van het nieuwsfeit.
Door de uitzending van fragmenten van wat tijdens de zitting is besproken zijn in beginsel de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat wordt niet anders doordat sprake is van het citeren in de vorm van heruitzending van wat reeds is openbaar gemaakt. Nochtans is de Raad in dit specifieke geval van mening dat, gelet op de uitzending in zijn geheel, waarbij ingevolge de door verweerder gemaakte afweging het fragment een zeer ondergeschikte en louter illustratieve rol speelde en de kern van de vertrouwelijke informatie onbesproken bleef, van een zodanig geringe overschrijding van genoemde grenzen sprake is, dat de klacht als ongegrond moet worden beschouwd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Met het Oog op Morgen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 augustus 2000 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, M.J. Kes en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-51