2000/50 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Officier van Justitie te Amsterdam

tegen

de hoofdredacteur van RTL Nieuws

Bij brief van 27 april 2000 met één bijlage en bijgevoegd een videoband, heeft mr. J.M. Vrakking, Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTL Nieuws (verweerder).
Hierop heeft H. Taselaar, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 27 juni 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juli 2000. Namens klager verschenen mr. J. Steenbrink en mr. E. Ooteman. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

De eerste zittingsdag van het strafproces tegen verdachte Mink K. op 13 maart 2000 vond achter gesloten deuren plaats. Door een onzorgvuldigheid is de geluidsinstallatie in de perskamer open blijven staan. Daardoor was hetgeen in de zittingszaal werd besproken in de perskamer te horen. De geluidskwaliteit was slecht en het volume laag. Een deel van de verklaring van de verdachte en van het betoog van de officier van justitie is door RTL Nieuws opgenomen en nog diezelfde dag uitgezonden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat met de opname en uitzending van de vertrouwelijke informatie grenzen zijn overschreden. Elke journalist weet of behoort te weten dat er bij een openbare zitting geen opnamen mogen worden gemaakt zonder dat de rechter hiervoor toestemming heeft gegeven. Door de beslissing van de rechter om een zitting achter gesloten deuren voort te zetten, wordt expliciet duidelijk dat sprake is van een verbod om opnamen te maken. In het onderhavige geval heeft de rechter aan de aanwezige journalisten duidelijk gemaakt dat de zitting achter gesloten deuren zou worden voortgezet. Zij moesten de zaal verlaten. Voor hen was de boodschap dus helder, aldus klager. In feite is er sprake van een strafbaar feit, nu artikel 139 e Wetboek van Strafrecht geschonden, dat de doorgifte van de door wederrechtelijk opnemen van een gesprek verkregen gegevens strafbaar stelt.

Volgens verweerder waren de tijdens de besloten zitting gemaakte opmerkingen van Mink K. en de Officier van Justitie van een groot maatschappelijk belang en daarom relevant voor het maken van opnamen en het openbaar maken daarvan. De zaak ging over een wapenopslag van een zeer grote omvang. Duidelijk werd dat Mink K. als informant voor justitie/politie werkte inzake wapenhandel en zich op zijn informantenstatus beriep om zich vrij te pleiten. Na de IRT-affaire en de Parlementaire Enquête Opsporingsmethoden lag er voor de pers een groot belang om te weten te komen welke rol politie en justitie speelden in de onderhavige zaak. Niet alleen radio en televisie hebben het nieuws gebracht, er is ook in alle andere media, vooral kranten, over gepubliceerd. Er zit in de optiek van RTL Nieuws overigens geen verschil tussen pen of computer en radio- of televisie-opnamen. Niet de wijze waarop de informatie wordt vergaard en doorgegeven is van belang, het gaat om de inhoud afgezet tegen het algemeen belang.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hetgeen besproken wordt tijdens een terechtzitting die ingevolge een beslissing van de rechter plaatsvindt achter gesloten deuren, is niet bedoeld voor openbaarmaking en levert dus vertrouwelijke informatie op. De rechter heeft in zo'n geval immers besloten dat die informatie geheim moet blijven in het belang van een goed verloop van de strafprocedure. Uitgangspunt moet zijn dat het belang van de openbaarheid van de rechtspraak en de vrije nieuwsgaring bij die besluitvorming is meegewogen. Reeds daarom zal een journalist, die niettegenstaande het bevel van de rechter tot sluiting van de deuren en anders dan door mededelingen van de bij de terechtzitting betrokkenen, zoals de verdachte, de leden van het openbaar ministerie, de rechter en eventuele op de zitting gehoorde getuigen, bekend raakt met de inhoud van wat op die zitting is besproken, zich hebben te onthouden van publicatie daarvan, in welke vorm ook. Journalisten hebben immers het resultaat van de door de rechter gemaakte afweging te eerbiedigen.
Dit betekent dat het maken van opnamen van wat op zo'n zitting is besproken en de uitzending daarvan via televisie dan ook journalistiek ontoelaatbaar is. Dat zou anders kunnen zijn in het uitzonderlijke geval dat tijdens die zitting zodanig ernstige misstanden zijn gebleken die niet op een andere wijze aan het licht zouden kunnen komen dat zij omwille van het algemeen belang publicatie met veronachtzaming van de rechterlijke beslissing tot sluiting van de deuren zouden rechtvaardigen. Bovendien moet, indien zich zo'n geval voordoet, er een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden alvorens tot uitzending wordt overgegaan.

De uitzending van RTL Nieuws had betrekking op de vertrouwelijke informatie die ten gevolge van het openstaan van de microfoon in de perskamer te horen was. De uitgezonden fragmenten moesten bewijzen dat verdachte Mink K. een informant was van politie en justitie. Deze informatie kan niet worden aangemerkt als van wezenlijk belang om een ernstige misstand aan de kaak te stellen. Bovendien waren er andere middelen voorhanden om, als er al van een misstand sprake zou zijn, die openbaar te maken. Van belang is tevens dat niet is gebleken dat de belangen van de verdachte en van justitie zijn meegewogen bij de beslissing om de gewraakte fragmenten op te nemen en uit te zenden.
In dit geval zijn daarom de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Er behoort hier overigens geen onderscheid te bestaan ten aanzien van de schrijvende pers en het citeren in een radio- of televisieprogramma van wat in de schrijvende pers omtrent de inhoud van het verhandelde op de zitting is meegedeeld. Immers de hierboven geformuleerde uitgangspunten gelden ook voor de schrijvende pers.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma RTL Nieuws.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 augustus 2000 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, M.J. Kes en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-50