2000/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Minister van Justitie

tegen

E. van Prooijen (TROS 2 Vandaag)

Bij brief van 13 juli 1999 is namens de Minister van Justitie (klager) een klacht ingediend tegen E. van Prooijen, redacteur bij TROS 2 Vandaag, (betrokkene).
Hierop heeft E. van Prooijen gereageerd in een brief van 18 augustus 1999 met vier bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 1999. Namens klager zijn daar J.A.M. de Jong, juridisch beleidsmedewerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, en W. Kok, persvoorlichter van de Dienst Justitiële Inrichtingen, verschenen. Zij hebben een nadere productie overgelegd. Betrokkene, die is verschenen vergezeld van mr. P.G. van der Zee en F. Fransen, heeft ter zitting een videoband met daarop de gewraakte uitzendingen overhandigd. De Raad heeft deze band na afloop van de zitting bekeken.

DE FEITEN

Op 1 en 2 juni 1999 heeft de TROS in het programma 2 Vandaag aandacht besteed aan vermeende misstanden in de dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen. Zo zouden vrouwelijke personeelsleden van deze tbs-inrichting ontuchtige handelingen hebben verricht met patiënten. Ten tijde van de uitzendingen was de Rijksrecherche doende berichten daarover op hun juistheid te onderzoeken.
In de reportages, die door betrokkene zijn gemaakt, zijn geluidsopnamen te horen van tussen hem en patiënten gevoerde telefoongesprekken. Hierin doen die patiënten mededelingen over verhoudingen tussen personeelsleden en patiënten van de kliniek. Deze geluidsopnamen zijn gemaakt, nadat betrokkene van de directeur van de kliniek te horen had gekregen dat hangende het onderzoek van de Rijksrecherche geen mededelingen over de kwestie zouden worden gedaan. Betrokkene heeft vervolgens het centrale telefoonnummer van de kliniek gebeld en aan de telefoniste verzocht hem met een bepaalde patiënt door te verbinden. Hierop werd hij doorverbonden met een afdelingshoofd die hem vroeg of hij een bekende was van de patiënt. Nadat betrokkene deze vraag bevestigend had beantwoord, waarbij hij wel zijn naam maar niet zijn hoedanigheid van journalist vermelde, werd hem toegestaan met de patiënt te spreken. Na afloop van het gesprek heeft deze, zonder tussenkomst van personeel van de kliniek, de telefoon overhandigd aan een andere patiënt en vervolgens heeft een gesprek tussen betrokkene en deze patiënt plaatsgevonden. Betrokkene heeft zich, naar hij stelt, bij deze patiënten als journalist bekend gemaakt.
Vervolgens heeft betrokkene aan voornoemde Kok gevraagd te reageren op de mededelingen van de patiënten. Kok heeft hierop meegedeeld dat hij bereid was commentaar te leveren, doch niet in het stadium waarin het onderzoek van de Rijksrecherche nog gaande was.

Bij brief van 28 mei 1999 heeft klager zijn bezwaren over de handelwijze van betrokkene kenbaar gemaakt aan de hoofdredacteur van TROS 2 Vandaag en verzocht af te zien van uitzending. Deze heeft hierop in een faxbericht van 1 juni 1999 afwijzend gereageerd.

Volgens twee door betrokkene overgelegde nieuwsberichten van het ANP van 16 juli 1999 is volgens de Rijksrecherche onvoldoende bewijs aanwezig om de in de berichten genoemde vrouwelijke personeelsleden te vervolgen. De Rijksrecherche zou wel hebben geconcludeerd dat de medewerkers slecht op de hoogte zijn van de omgangsrichtlijnen en onvoldoende afstand van de patiënten nemen. Voorts zouden patiënten gemakkelijk aan verdovende middelen kunnen komen.
Volgens de berichten zijn al eerder maatregelen genomen. De desbetreffende vrouwelijke personeelsleden waren geschorst, een aantal medewerkers is overgeplaatst en onvoldoende functionerende leidinggevenden zijn uit hun functie ontheven.
Blijkens een van de berichten heeft Tweede-Kamerlid Zijlstra kamervragen over de zaak aangekondigd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het bezwaar van klager richt zich tegen het feit dat betrokkene zich, voorafgaand aan zijn telefoongesprek met de patiënten, niet als journalist bekend heeft gemaakt. Van Prooijen heeft er volgens klager niet mee kunnen volstaan zich aan de betrokken patiënten als journalist bekend te maken, aangezien ook de kliniek bij deze kwestie betrokken is.
Betrokkene heeft, aldus klager, de Van Mesdagkliniek misleid, ten gevolge waarvan hij informatie heeft verkregen, die hij niet zou hebben ontvangen, indien hij zijn hoedanigheid bekend had gemaakt. Nu hangende het onderzoek van de Rijksrecherche geen mededelingen zouden worden gedaan, zou betrokkene geen toestemming hebben gekregen om met enige patiënt te spreken.
Klager wijst in dit verband op artikel 39 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, waarin bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot contacten tussen patiënten en de media. Het hoofd van een tbs-instelling kan voor dit contact toestemming verlenen, aan deze toestemming voorwaarden verbinden en - indien toestemming is verleend - toezicht op het contact uitoefenen. Daarbij dient het hoofd een afweging te maken tussen het belang van het recht van de patiënt op meningsuiting enerzijds en de andere betrokken belangen, waaronder dat van ordehandhaving binnen en buiten de kliniek, anderzijds. In het onderhavige geval heeft die belangenafweging niet kunnen plaatsvinden, doordat betrokkene zich niet als journalist heeft aangediend. Dat betrokkene wellicht een bekende van een van de patiënten was, kan aan het bezwaar daartegen niet afdoen.
Klager onderkent de maatschappelijke relevantie van de kwestie en het belang dat misstanden aan de kaak moeten kunnen worden gesteld, teneinde te bewerkstelligen dat deze worden onderzocht. Hij is echter van mening dat bij de beoordeling van de handelwijze van betrokkene rekening moet worden gehouden met het feit dat reeds een onderzoek was gestart. Onder die omstandigheden kan het maatschappelijk belang die handelwijze niet rechtvaardigen.
Door het handelen van betrokkene is niet alleen het door klager behartigde algemeen belang geschaad, doch ook het belang van de geïnterviewde patiënten, die ten gevolge van het interview moesten worden overgeplaatst naar een andere kliniek.

Betrokkene stelt dat zijn handelwijze correct is geweest. Een journalist heeft volgens hem slechts de verplichting om zijn identiteit bekend te maken aan degene die hij ondervraagt. Aan deze verplichting heeft hij voldaan. Bovendien heeft hij de kliniek niet misleid, aangezien hij reeds in een eerder stadium contact had gehad met een van de betrokken patiënten en zich derhalve terecht als bekende van die patiënt heeft gemeld. Aan de telefoniste van de kliniek heeft hij zijn naam genoemd. Aldus heeft hij geen procedurele fouten begaan. Met de door klaagster genoemde wettelijke voorschriften was hij niet bekend.
Betrokkene is voorts van mening, dat zijn werkwijze in elk geval wordt gerechtvaardigd door het grote maatschappelijke belang dat met de onderhavige kwestie is gemoeid. Dit belang blijkt onder meer uit de aandacht die - zowel voorafgaand aan als na de gewraakte uitzendingen - door de media aan de kwestie is besteed, de maatregelen die jegens medewerkers van de kliniek zijn getroffen, alsmede uit het feit dat in de Tweede Kamer vragen over de kwestie zijn gesteld.
Betrokkene betoogt ten slotte dat hij voor de jegens de geïnterviewde patiënten getroffen maatregelen niet verantwoordelijk is. Zij zijn onherkenbaar in beeld gebracht, hun stemmen zijn vervormd en aan hen is, nadat de opnamen hadden plaatsgevonden, de gelegenheid geboden om uitzending van de interviews tegen te houden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop staat dat een journalist degene over wie hij publiceert met 'open vizier' tegemoet behoort te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem vooraf bekend moet maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel.
Aangezien de gewraakte uitzendingen de Van Mesdagkliniek tot onderwerp hadden, kan betrokkene niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij zijn hoedanigheid van journalist slechts aan de geïnterviewde patiënten bekend hoefde te maken en niet aan de kliniek. Betrokkene heeft derhalve de hiervoor omschreven regel geschonden.
De vraag doet zich dan ook voor of in het onderhavige geval sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden, dat de in beginsel laakbare handelwijze van betrokkene niettemin gerechtvaardigd was. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, zoals klager betoogt, doch tevens het informeren van het publiek over feiten of bijzonderheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen. Dat ten tijde van de uitzendingen door de Rijksrecherche al onderzoek werd gedaan biedt dan ook op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie dat voor de werkwijze van betrokkene in het kader van de uitzendingen geen rechtvaardiging kon bestaan.
De Raad is van oordeel dat de uitlatingen van de patiënten in de gewraakte uitzendingen concretiseringen en bijzonderheden met betrekking tot de gebeurtenissen en reacties in de kliniek bevatten, die aan de reportage authenticiteit en daarmee een voor de signaleringsfunctie relevante meerwaarde gaven. De, door klager erkende, maatschappelijke betekenis van het onderwerp mede in aanmerking genomen, acht de Raad onder deze omstandigheden de handelwijze van betrokkene nog juist niet ontoelaatbaar.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 2 Vandaag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 januari 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. B.A. Schmitz, J.M.P.J. Verstegen en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-05