2000/49 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Internationale School voor Wijsbegeerte

tegen

J. van Casteren (De Groene Amsterdammer)

Bij brief van 30 maart 2000 met vier bijlagen heeft P. Wouters, directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW), namens de ISVW te Leusden (klager) een klacht ingediend tegen J. van Casteren, journalist bij De Groene Amsterdammer (verweerder).
Hierop heeft Van Casteren gereageerd in een brief van 9 mei 2000. Vervolgens heeft Wouters daar op geantwoord in een brief van 24 mei 2000 en heeft Van Casteren gereageerd in een brief van 7 juni 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juli 2000 in aanwezigheid van Van Casteren en hoofdredacteur M. van Amerongen. De ISVW is niet verschenen.

DE FEITEN

Van Casteren heeft deelgenomen aan een training 'Socratische gesprekstechniek', georganiseerd door de ISVW. Zijn doel was hierover een reportage te schrijven voor De Groene Amsterdammer. De andere deelnemers waren op de hoogte van zijn achtergrond en intenties. Tijdens de bijeenkomst heeft hij aantekeningen gemaakt. De reportage, die Van Casteren samen met collega redacteur Sander Pleij schreef, verscheen in De Groene Amsterdammer van 8 maart 2000, getiteld 'De Socrates-industrie'. Het artikel bevatte onder meer een verslag van het gesprek tussen de deelnemers aan de training. Aan de hand van persoonlijke ervaringen werd getracht de vraag 'zijn redelijke beslissingen altijd de beste?' te beantwoorden. Zij werden met hun voornaam en hun achtergrond en functie aangeduid. De directeur van de ISVW heeft schriftelijk zijn bezwaren uiteen gezet tegen de inhoud van het artikel en om een rectificatie gevraagd. De hoofdredacteur heeft hem aangeboden een ingezonden brief van zijn hand te publiceren. Op dit aanbod is hij niet ingegaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De ISVW stelt dat Van Casteren zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Er was afgesproken dat hij als volwaardig deelnemer aan de training zou meedoen en dat hij de andere deelnemers alleen met hun toestemming sprekend en herkenbaar zou opvoeren. Hij heeft echter van de vierdaagse training echter slechts één dag meegemaakt. Hij heeft uit de gesprekken geciteerd. De deelnemers zijn herkenbaar, omdat vermelding van hun voornaam samen met de naam van hun bedrijf hen identificeerbaar maakt. De deelnemers hebben daarvoor geen toestemming gegeven, zoals ook blijkt uit een aantal verklaringen dat aan de Raad is overgelegd. Het artikel bevat voorts
volgens de ISVW een aantal onjuistheden.

Volgens Van Casteren is er nooit afgesproken dat hij toestemming van de deelnemers aan de training nodig had, om hen sprekend te mogen opvoeren. Hij heeft er zelf voor gekozen hen onherkenbaar ten tonele te voeren. Als men hem van tevoren gevraagd zou hebben om gefingeerde namen te gebruiken, zou hij overigens aan dat verzoek hebben voldaan. De deelnemers vormden immers een willekeurige groep. In het artikel ging het in eerste instantie om Socrates zelf en om de door de ISVW gebezigde methodes. Van Casteren heeft van de deelnemers zelf persoonlijke achtergrondinformatie gekregen. Zij hebben hem slechts gevraagd om een exemplaar van het nummer waarin het artikel zou worden gepubliceerd. Omdat hij na één dag al voldoende stof had voor zijn reportage en bovendien tot de conclusie kwam dat van een volwaardige deelname geen sprake kon zijn omdat hij teveel met zijn werk bezig was, heeft Van Casteren de overige trainingsdagen niet gevolgd. Mogelijke onjuistheden in het artikel zijn van ondergeschikte aard.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is in hoofdzaak gericht tegen de schending van afspraken over de bescherming van de privacy van de deelnemers aan de training. Gezien de verklaringen van een aantal deelnemers acht de Raad het aannemelijk dat er door de ISVW afspraken zijn gemaakt met Van Casteren over het onherkenbaar opvoeren van personen. Gelet op de aard en inhoud van de gesprekken had Van Casteren bovendien ook kunnen begrijpen dat de deelnemers er prijs op stelden onherkenbaar te blijven. Hij had dan ook de plicht er voor te zorgen dat de kans op herkenning van de betrokkenen zoveel mogelijk werd uitgesloten, maar dat heeft hij in onvoldoende mate gedaan. Door het noemen van hun werkkring en functie in combinatie met hun voornaam zijn zij voor bekenden betrekkelijk gemakkelijk te identificeren. Daarmee heeft Van Casteren de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Groene Amsterdammer te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 augustus 2000 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, M.J. Kes en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-49