2000/47 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Gravenborgh Groep BV

tegen

A. Groot en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 29 februari 2000 met vier bijlagen heeft Ir. S. Hagesteijn, directeur, namens Gravenborgh Groep BV te Capelle aan den IJssel (klaagster) een klacht ingediend tegen A. Groot en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerders). Hierop heeft mr. K.Th.M. Stöpetie, advocaat te Amsterdam, namens verweerders gereageerd in een brief van 31 mei 2000 met acht bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 juni 2000 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In het AD Magazine van 30 januari 2000 is een artikel van de hand van Groot verschenen onder de kop "B.V. List & Bedrog. Sommige BV's zijn roversnesten van waaruit criminelen ongehinderd kunnen plunderen. Hun favoriete doelwit: ondernemers in geldnood." Hierin wordt beschreven dat in geldnood verkerende ondernemingen de dupe kunnen worden van onrechtmatige praktijken van personen die zich voordoen als financierings- en reorganisatiedeskundigen. Het artikel beschrijft de handelwijze van de zakenlieden Van der Kolk, die inmiddels is overleden, en De Mooij. Een aantal gedupeerden van Van der Kolk en De Mooij wordt in het artikel aan het woord gelaten. Verder wordt aandacht besteed aan de handelwijze van klaagster, die - volgens het artikel - adverteert in verschillende landelijke kranten als expert op het gebied van schuldsanering, reorganiseringen en deelnames in bedrijven en adviseert bij de verwerving van risicodragend kapitaal.

Voorafgaand aan de publicatie heeft op 11 november 1999 een gesprek plaatsgevonden tussen Groot en Hagesteijn. Vervolgens heeft Groot bij fax van 24 december 1999 aan de directie van klaagster een aantal vragen voorgelegd. In zijn reactie van 30 december 1999, waarin hij de vragen beantwoordt, schrijft Hagesteijn onder meer: "Op grond van ons eerdere gesprek van 11 november, uw opmerkingen als "Wollige juridische constructies zullen bij voorbaat als antwoord worden genegeerd", uw ongegronde verklaringen, insinuaties en beschuldigingen, kunnen wij er op voorhand niet vanuit gaan dat u onze antwoorden correct zult weergeven. Wij wensen dan ook vóór enige publicatie uwerzijds het recht te hebben om het artikel op juistheid te onderzoeken."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De klacht heeft slechts betrekking op de passages waarin klaagster wordt aangesproken. Klaagster stelt dat een zestal door haar aangehaalde passages onjuistheden bevatten en bewust kwetsend zijn. De onjuistheden vormen gezamenlijk een beeld waarin De Mooij, een van haar freelance-adviseurs, via klaagster bezig is geweest om derden op te lichten. Dit beeld zou volledig worden ontkracht, indien elke onjuistheid zou worden gecorrigeerd, aldus klaagster.
Zij wijst onder meer op de passage "Een werknemer van het Joegoslavische incassobureau Platiti (Joegoslavisch voor 'betalen') heeft hem telefonisch bedreigd, zegt hij. De Gravenborgh Groep is deels eigenaar van dit bureau, dat bekend staat om zijn harde werkwijze." Klaagster stelt dat zij noch deels eigenaar is van het bureau Platiti noch daarmee een zakelijke relatie heeft.
Verweerders hebben voorts onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Weliswaar heeft Groot vooraf aan klaagster een fax met vragen gestuurd, maar op het verzoek om haar voor publicatie het artikel te laten inzien, heeft hij niet gereageerd.
Ten slotte hebben verweerders nagelaten om onderzoek te doen naar de juistheid van de verstrekte gegevens. Hierdoor zijn de genoemde passage volgens klaagster van een hoog 'hear-say'-gehalte.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat aan het artikel een uitvoerig feitenonderzoek ten grondslag ligt, waarbij gebruik is gemaakt van diverse bronnen. Er is gesproken met een aantal gedupeerden, die in het artikel aan het woord zijn gelaten zonder dat hun woorden daarbij tot die van verweerders worden gemaakt dan wel hun verklaringen als feiten worden gepresenteerd. Waar mogelijk zijn de stellingen van de gedupeerden op juistheid geverifieerd.
Ook de zes door klaagster aangehaalde passages vinden op verantwoorde wijze steun in het beschikbare feitenmateriaal en de uitkomsten van het door verweerders verrichte onderzoek. Bovendien hebben zij zich niet op diffamerende toon over klaagster uitgelaten. Met betrekking tot de passage over het bureau Platiti wijzen verweerders op een intern memo van Copharma Holding NV, de moedermaatschappij van klaagster. Hieruit blijkt dat klaagster een duurzame zakelijke relatie met het bureau Platiti onderhoudt, op grond waarvan zij voor aangedragen incasso-opdrachten 30% commissie ontvangt.
Volgens verweerders is op alle relevante punten wederhoor toegepast door klaagster ruimschoots in de gelegenheid te stellen op de bevindingen te reageren. Zij wijzen op het gesprek van 11 november 1999, over de betrokkenheid van klaagster bij de activiteiten van De Mooij, en de fax van 24 december 1999, waarin klaagster uitvoerig om een reactie is gevraagd. De reacties zijn, waar van toepassing, ook in het artikel verwerkt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het eerste onderdeel van de klacht heeft betrekking op feitelijk onjuiste en grievende berichtgeving, waarvan volgens klaagster in een zestal door haar aangewezen passages sprake zou zijn. In het interne memo van Copharma Holding NV is vermeld dat klaagster een overeenkomst heeft met Platiti BV, uit hoofde waarvan zij 30% commissie ontvangt voor alle aangedragen incasso's. Een dergelijke overeenkomst kan echter niet worden gelijkgesteld met de door verweerders beweerde (gedeeltelijke) eigendom. Hoewel het artikel derhalve op dit punt feitelijk onjuist is, is de Raad van oordeel dat deze onjuistheid - in de context van het gehele artikel - van zodanig ondergeschikt belang is, dat dit niet kan leiden tot gegrondheid van de klacht. Wat betreft de overige door klaagster genoemde passages beschikt de Raad niet over de middelen om vast te stellen dat de in die passages vermelde feiten juist of onjuist zijn. Wel kan de Raad vaststellen dat de publicatie op een voldoende grondig onderzoek berust. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, kan de klacht op dit onderdeel niet slagen.
Klaagster is voorts van mening dat verweerders onvoldoende wederhoor hebben toegepast. Op dit punt hebben verweerders echter niet ontoelaatbaar gehandeld. Zij hebben immers aan klaagster de mogelijkheid geboden om te reageren, zowel in het voorgesprek van 11 november 1999 als middels het voorleggen van vragen in de fax van 24 december 1999. Voor zover de stellingen van klaagster aldus zouden moeten worden uitgelegd dat verweerders vanuit een oogpunt van journalistieke zorgvuldigheid haar inzage vooraf hadden behoren te verlenen, kunnen deze stellingen niet als juist worden aanvaard.
Het standpunt van klaagster dat sprake zou zijn van een hoog 'hear-say'-gehalte, kan niet worden gevolgd. De uitlatingen en gegevens die zijn vervat in de door klaagster genoemde passages, worden immers in overwegende mate toegeschreven aan in het artikel genoemde bronnen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 juli 2000 door
mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel,
mw. J.A. Koerts, mr. M.M.P.M. Kreyns en
mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van
mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-47