2000/44 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de producent van het programma ‘Ik mis je zo’ (Joop van den Ende TV Producties bv)
 
Bij brieven van 10 november 1999 met dertien bijlagen en van 4 december 1999 met acht bijlagen heeft X (klage­r) een klacht inge­diend tegen de producent van het televisieprogramma ‘Ik mis je zo’. Hierop heeft mevrouw mr. E.M. Polak, advocate te Amsterdam, namens producent Joop van den Ende TV Producties bv te Aalsmeer (verweerder) gereageerd in een brief van 10 januari 2000 met twee bijlagen. Klager heeft zijn klacht nader toegelicht bij brief van 8 mei 2000 met tien bijlagen. Namens verweerder is bij begeleidend schrijven van 9 mei 2000 nog een bijlage aan de stukken toegevoegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 mei 2000. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerder zijn verschenen mr. Polak, mr. K. Versteegh, bedrijfsjuriste van klaagster, en J. Puzelik, destijds uitvoerend producente van het programma ‘Ik mis je zo’. Ter zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 13 september 1996 is een aflevering van het programma ‘Ik mis je zo’ – verder te noemen: de uitzending - uitgezonden op de televisiezender RTL4. De inleiding van presentatrice V. Holt luidt:
“Goedenavond en hartelijk welkom bij ‘Ik mis je zo’. Ook dit jaar wordt er weer minder getrouwd in Nederland, terwijl het aantal echtscheidingen toeneemt. In dit programma willen we dieper ingaan op de gevolgen van al die verbroken relaties, om de verbitterde strijd om de kinderen, de wonderlijke wetgeving die soms niemand recht doet en het verlangen naar wat ooit is geweest. We laten zien hoe het verlies of de verdwijning van een geliefd persoon kan ingrijpen in het dagelijks leven. Een levenslang verdriet is vaak het gevolg. De ene keer confronteren we een vader met zijn leugens en tonen we de bewijzen aan dat hij zijn kinderen verschrikkelijke dingen aandoet en de andere keer doen we verslag van de heldendaden die mensen ondernemen om hun geliefde terug te vinden. In de studie discussiëren we erover en luisteren we naar al die verhalen. Een van de uitkomsten van deze zesdelige programmareeks kan ik u nu alvast verklappen: praat in godsnaam met elkaar.”
Zowel klager, in een vooraf thuis opgenomen interview, als zijn ex-echtgenote, in de studio, hebben in de uitzending verteld over hun echtscheiding en over de problemen die zijn ontstaan met betrekking tot de omgangregeling voor klager, en de redenen waarom aan klager omgang met zijn kinderen is ontzegd. Klager was ten tijde van het geven van zijn toestemming voor de uitzending van het interview op de hoogte van deze programmaopbouw en heeft daartegen tevoren geen bezwaar gemaakt. Voorafgaand aan het interview is met klager een aantal gesprekken gevoerd.
 
Bij faxbericht van 14 september 1996 heeft klager zijn bezwaren tegen de uitzending aan verweerder kenbaar gemaakt en verzocht om een studiogesprek. De uitvoerend producente heeft dit verzoek in een brief van 25 september 1996 afgewezen. Klager is een civiele procedure gestart tegen verweerder voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, in welke procedure verweerder op 14 oktober 1998 van antwoord heeft gediend en waarin klager voor repliek staat. 
Bovendien heeft klager naar aanleiding van de uitzending een civiele procedure gevoerd tegen zijn ex-echtgenote. In deze procedure heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen op 29 oktober 1998 geoordeeld dat de ex-echtgenote van klager zich in de uitzending niet onrechtmatig jegens klager heeft uitgelaten. Blijkens dit vonnis is klager ter zake van bedreigingen jegens zijn ex-echtgenote, gepleegd in oktober 1995, in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk. Voorts blijkt uit dit vonnis dat aan klager in april 1996 een straat- en contactverbod met zijn ex-echtgenote en zijn kinderen is opgelegd in verband met meermalen geuite bedreigingen. Het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 29 oktober 1998 is op 28 maart 2000 door het Gerechtshof te Arnhem bekrachtigd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de uitzending een aantal onjuistheden bevat. Zo wordt hij onder meer in de inleiding neergezet als een leugenaar die zijn kinderen zou mishandelen, terwijl voor deze beschuldigingen geen bewijzen worden aangedragen. Daarnaast heeft Holt suggestieve vragen aan zijn ex-echtgenote gesteld, zoals bijvoorbeeld “Sloeg hij?”. Klager stelt voorts dat de passage uit een brief van hem, die in de uitzending is getoond, uit de context is gehaald. Verder is volgens klager sprake van subjectieve berichtgeving, omdat Holt is afgegaan op hetgeen zijn ex-echtgenote heeft verteld. Hem is onvoldoende mogelijkheid tot weerwoord geboden, aangezien hij niet heeft kunnen reageren op de uitspraken die zijn ex-echtgenote in de uitzending deed.
 
Verweerder werpt in de eerste plaats de vraag op of klager nog belang heeft bij een uitspraak van de Raad, nu de uitzending ruim drie jaar geleden heeft plaatsgevonden, het programma ‘Ik mis je zo’ niet meer bestaat, de uitzending niet zal worden herhaald en klager een civiele procedure tegen verweerder is gestart. 
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitzending zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is een uitvoerig onderzoek verricht naar de feiten die aan de problemen tussen klager en zijn ex-echtgenote ten grondslag liggen. In de uitzending is een objectieve voorstelling van zaken gegeven door een rustige weloverwogen wijze van aankondiging, door beide partijen aan het woord te laten, zich neutraal op te stellen en vervolgens een onafhankelijke deskundige haar mening te laten geven.
Voor het interview met klager is uitvoerig gesproken met zijn ex-echtgenote. Zodoende was bekend wat zij in de uitzending zou gaan zeggen.
Verweerder stelt ten slotte dat de stelling van klager over de invulling van het beginsel van hoor en wederhoor er op neer zou komen dat aan het horen van partijen geen einde komt omdat op de laatste uitlating van de een, de ander steeds weer een reactie zou moeten kunnen geven.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad zal, met voorbijgaan aan de door verweerder slechts vragenderwijs opgeworpen kwestie of klager gelet op onder meer het tijdsverloop tussen de uitzending en de indiening van de klacht nog wel voldoende belang heeft bij zijn klacht, in de eerste plaats ingaan op de stelling van klager dat hij in de inleiding van de uitzending is neergezet als een leugenaar en iemand die zijn kinderen mishandelt. Deze klacht is ongegrond. In de inleiding wordt weliswaar gesproken over een vader die met zijn leugens wordt geconfronteerd en die zijn kinderen verschrikkelijke dingen aandoet, maar de tekst van de inleiding in zijn geheel bezien laat er geen enkele twijfel over bestaan dat hier slechts voorbeelden worden genoemd van gevallen die in de uitzendingen van ‘Ik mis je zo’ aan de orde zullen komen, zonder dat daarbij enig verband wordt gelegd met het in de uitzending van 13 september 1996 behandelde geval van klager en diens ex-echtgenote.
De kern van de klacht wordt voor het overige gevormd door het verwijt dat klager onvoldoende gelegenheid zou zijn geboden tot weerwoord. Bij de beoordeling van deze klacht stelt de Raad voorop dat klager zich akkoord heeft verklaard met de opzet van het programma, te weten dat hij tevoren thuis zou worden geïnterviewd terwijl daarentegen zijn ex-echtgenote in de studio aanwezig zou zijn en de gelegenheid zou krijgen direct te reageren op hetgeen klager in het interview gezegd had. Dit in aanmerking genomen zou de klacht slechts kunnen slagen indien zou moeten worden geoordeeld dat klagers ex-echtgenote in de uitzending uitlatingen zou hebben gedaan die voor klager niet alleen bezwarend waren maar ook nieuw, in de zin van: in wezen niet eerder gedaan. Verweerder, die zowel met klager als met diens ex-echtgenote een aantal voorgesprekken heeft gehad, heeft zich op het standpunt gesteld dat van dergelijke uitlatingen geen sprake is geweest. Deze stelling, die – gelet enerzijds op de inhoud van de door partijen overgelegde stukken en anderzijds op hetgeen door de ex-echtgenote in de uitzending wordt gezegd – op het eerste gezicht aannemelijk is, is door klager niet ontzenuwd. Dit leidt tot het oordeel dat de klacht ook voor het overige ongegrond is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder te bewerkstelligen dat op de televisiezender RTL4 aandacht aan deze beslissing wordt besteed.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juni 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzit­ter, W.H.K. Am­mer­laan, mw. mr. V. Ke­ur, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegen­woor­dig­heid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.