2000/41 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brieven van 29 en 30 december 1999 met twee bijlagen heeft X te Alkmaar (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerder). Hierop heeft Y. Zonderop, lid van de hoofdredactie, gereageerd in een brief van 24 januari 2000 met een bijlage. In een brief van 10 februari 2000 heeft klaagster haar klacht verder toegelicht. Vervolgens heeft zij een afschrift van haar brief van 2 maart 2000 aan mr. Flos ingediend. Bij brieven van 9 en 17 maart 2000 heeft klaagster nog nadere argumenten aangevoerd. Op deze aanvullende stukken van klaagster heeft Y. Zonderop gereageerd in een brief van 21 maart 2000.

De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2000.

DE FEITEN

Op 24 december 1999 is in de Volkskrant in de rubriek "U hoort nog..." een artikel verschenen onder de kop "Is alles wel wel met mevrouw de welzijnswerker?". De publicatie gaat over het werk van klaagster en bevat een aantal citaten uit een door klaagster rondgestuurd persbericht. In het artikel zijn de namen van de stichting en het buurtcentrum vermeld waarbij zij werkzaam is, klaagster wordt niet genoemd. Tevens is het hoofd van de sector welzijn van het stadsdeel, waarin het betreffende buurtcentrum zich bevindt, aan het woord gelaten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de naam van het buurtcentrum is vermeld zonder haar toestemming. Door deze vermelding in combinatie met de publicatie van andere gegevens, waaronder haar functie, is zij voor iedereen herkenbaar, aldus klaagster.
Zij stelt verder dat verweerder de kwestie heeft gepresenteerd als een persoonlijk conflict tussen klaagster en haar werkgever. Volgens klaagster heeft zij echter een maatschappelijk probleem aan de orde willen stellen, te weten het algemene welzijn van het personeel en voor de mensen waarvoor dit personeel zich inzet.
Bovendien heeft verweerder, aldus klaagster, zich zonder haar toestemming gewend tot derden, die vervolgens onjuiste gegevens hebben verstrekt. Klaagster stelt dat verweerder heeft nagelaten de juistheid van deze gegevens en van de interpretatie daarvan te verifiëren en met haar had behoren te overleggen, alvorens tot publicatie over te gaan. Door deze omissie is sprake van een verdraaide en vertekende nieuwsgaring die niet meer het maatschappelijk belang dient, maar meer gaat in de richting van 'boulevardjournalistiek', zo stelt klaagster.
Zij betoogt dat zij ten gevolge van de publicatie schade kan lijden, onder meer doordat zij moeilijkheden ondervindt bij het zoeken van een nieuwe baan.

Volgens verweerder is de berichtgeving gebaseerd op het persbericht van klaagster en de door haar toegezonden documentatie. Uit deze stukken blijkt, aldus verweerder, dat klaagster de publiciteit heeft gezocht en daarbij aandacht van de pers heeft gevraagd voor een gerezen conflict tussen haar en haar werkgever. Hij wijst er op dat ter bescherming van klaagster haar naam niet is vermeld.
Verweerder stelt dat klaagster zich niet heeft gerealiseerd dat geen artikel over een conflict kan worden gepubliceerd als niet tenminste de conflicterende partijen en de meest relevante feiten worden vermeld. Hierbij heeft hij de normale journalistieke praktijk van wederhoor toegepast, aldus verweerder. Gezien de zeer uitputtende documentatie die klaagster reeds had opgestuurd, lag het volgens hem niet voor de hand om haar nadien nogmaals om commentaar te vragen.
Verder stelt verweerder dat hij geen ombudsfunctie ambieert en dat het persbericht van klaagster dan ook niet is opgevat als een aansporing om haar zaak als voorbeeld te nemen voor een breder verbreid maatschappelijk probleem.
Ten slotte wijst hij er op dat het artikel eindigt met de observatie dat de aantijgingen van klaagster niet eenvoudig te weerleggen zijn. Verweerder betoogt dat hem derhalve niet kan worden verweten aan klaagster schade te hebben toegebracht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vaststaat dat klaagster de kwestie rond haar werk zelf in de publiciteit heeft gebracht, door het versturen van een persbericht met bijlagen. Gezien de daarin opgenomen gegevens en gelet op het feit dat in het artikel haar naam niet is vermeld, kan niet worden geoordeeld dat verweerder de privacy van klaagster heeft geschonden.
Uit de door klaagster verspreide stukken blijkt voorts dat zij daarin haar individuele probleem en het maatschappelijk belang in hun onderlinge verband aan de orde heeft gesteld. Zij heeft daarmee het risico aanvaard dat daaraan aandacht zou worden besteed op een wijze als door verweerder is gedaan, waartoe wederhoor behoort. De Raad kan niet vaststellen dat de door het hoofd sector welzijn verstrekte informatie onjuist is, zoals klaagster stelt. Voor zover deze stelling van klaagster al juist zou zijn, kan dit echter, gelet op het voorgaande, verweerder niet worden verweten.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat de publicatie niet onaanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 mei 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mr. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. B.L.W. Tillema en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-41