2000/40 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. van der Zee

tegen

de hoofdredacteur van de Zwolse Courant

In een brief met drie bijlagen, ontvangen op 17 december 1999, heeft A. van der Zee te Wijhe (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Zwolse Courant (verweerder). Hierop heeft J. Bartelds, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 14 januari 2000.

De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2000.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad is de zaak behandeld door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 6 december 1999 is in de Zwolse Courant een artikel over een voetbalwedstrijd verschenen met de kop "Wijhe solt met sportiviteit". In dit artikel wordt over klager opgemerkt: "De grootste dissonant in het geheel was André van der Zee van Wijhe. Hij bekende politieke kleur door de spelers van Hanze na de overtreding zwaar te beledigen." Voorts bevat het artikel het foto-onderschrift "Tinus Wolters (midden) van Hanze heeft het met zijn ploeg voorzien op André van der Zee van Wijhe, die discriminerende opmerkingen heeft gemaakt. Doelman Smit houdt Wolters in toom."
Naar aanleiding van dit artikel heeft klager een ingezonden brief gestuurd die op 10 december 1999 in de rubriek "Uw mening" van de Zwolse Courant is gepubliceerd, voorzien van een naschrift. Op dit naschrift heeft klager gereageerd middels een tweede ingezonden brief die in voornoemde rubriek is gepubliceerd op 14 december 1999.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat ten onrechte is vermeld dat hij discriminerende uitlatingen heeft gedaan. Volgens hem is het bovendien niet mogelijk dat de verslaggever heeft gehoord, wat hij heeft gezegd. Naar zijn mening is op eenzijdige en subjectieve wijze verslag gedaan van de voetbalwedstrijd.
Verder is klager het niet eens met de in het naschrift bij zijn eerste ingezonden brief opgenomen stelling, dat het een plicht van de journalist is om weer te geven wat hij ziet en hoort. Het getuigt van journalistiek-ethisch besef als bepaalde uitspraken niet worden gepubliceerd om de persoon in kwestie tegen zichzelf in bescherming te nemen, aldus klager. Hij benadrukt dat daarvan in zijn geval geen sprake is, aangezien hij geen discriminerende opmerkingen heeft gemaakt.
Klager betoogt dat zijn eer door de handelwijze van verweerder is aangetast. Bovendien heeft verweerder ten onrechte geen wederhoor toegepast en geen rectificatie geplaatst.

Verweerder stelt dat de verslaggever de vermelde opmerkingen van klager luid en duidelijk heeft gehoord. Er was geen reden om aan klager te vragen of hij de uitspraken had gedaan dan wel daarmee misschien iets anders had bedoeld, aldus verweerder. Hij stelt verder dat de verslaggever van de opmerkingen van klager melding heeft gemaakt, omdat dit gezien het verloop van de wedstrijd relevant was. Voor een rectificatie of rechtzettend interview bestond derhalve, volgens verweerder, geen aanleiding. Voorts is er geen reden om een voetballer die zich in een wedstrijd publiekelijk misdraagt tegen zichzelf in bescherming te nemen, aldus verweerder. Hij stelt dat hij klager twee keer in de gelegenheid heeft gesteld door middel van een ingezonden brief zijn visie op het gebeurde te geven. Ten slotte stelt verweerder dat de redactie vanzelfsprekend het recht heeft om in een naschrift te reageren op ingezonden stukken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Partijen verschillen erover van mening of klager zich daadwerkelijk heeft uitgelaten als vermeld en of de verslaggever de uitlatingen van klager heeft kunnen horen. Er is voor de Raad geen mogelijkheid om vast te stellen dat de stellingen van een der partijen ter zake juist of onjuist zijn. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van onjuistheden in het artikel, zodat de klacht op dat punt niet kan slagen.
Overigens kan de stelling van klager, dat het van journalistiek-ethisch besef getuigt om iemand tegen zichzelf in bescherming te nemen, in zijn algemeenheid niet worden aanvaard. Bovendien hebben zich geen bijzondere omstandigheden voorgedaan die ertoe leiden dat in het onderhavige geval een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt.
Mede gelet op het voorgaande, is de Raad van oordeel dat verweerder voldoende mogelijkheid tot weerwoord heeft geboden door de twee ingezonden brieven van klager te publiceren. Er is voorts geen reden om te oordelen dat de redactie op onjuiste wijze op een van deze brieven middels een naschrift heeft gereageerd.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, komt de Raad tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Zwolse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 mei 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-40