2000/38 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Ir. S. Hagesteijn en Gravenborgh Groep B.V.

tegen

B. Voskuil en Weekblad de Nieuwe Revu

Bij brief van 31 januari 2000. met twee bijlagen heeft Ir. S. Hagesteijn, mede namens Gravenborgh Groep B.V. (klagers) een klacht ingediend tegen B. Voskuil en weekblad de Nieuwe Revu (verweerders). Bij brieven van 22 en 23 februari 2000 met elf bijlagen hebben verweerders op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 april 2000. Namens klagers is daar voornoemde Hagesteijn verschenen, namens verweerders voornoemde Voskuil. Wegens plotselinge afwezigheid van een van zijn leden heeft de Raad de klacht met vier personen behandeld. Partijen hadden hiertegen geen bezwaar.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Voskuil heeft in de Nieuwe Revu, nummer 3 van 2000 een artikel geschreven onder de kop "Cees en Ko, robijnen en verdwenen schilderijen". Het beschrijft de handel en wandel van Cees de M. en de in 1997 overleden Ko van der K.. Zij worden afgeschilderd als oplichters. In het artikel wordt een zestal personen geciteerd die zeggen ernstig gedupeerd te zijn door De M.. Hun verhalen zijn in het artikel weergegeven. Tevens wordt een door een van hen ingeschakelde privé-detective aan het woord gelaten.

In het artikel is vermeld dat De M. en Van der K. (toen hij nog leefde) opereerden middels de firma Gravenborch in Capelle aan de IJssel, doch dat hun namen bij de Kamer van Koophandel niet terug te vinden zijn, omdat ze stromannen als directeur aanstelden. Over De M. is vermeld "dat hij, na het overlijden van Van der K., de absolute heerser is van het conglomeraat van BV'tjes en NV'tjes dat rondom de Gravenborch is opgezet". Hierbij wordt een vroegere werknemer, die in 1997 als directeur van Gravenborch werd aangesteld, als bron geciteerd.

Thans is voornoemde Hagesteijn directeur van Gravenborgh Groep B.V.. Hij heeft vorig jaar de naam van de vennootschap doen wijzigen van Gravenborch in Gravenborgh. Voskuil heeft, voorafgaand aan de publicatie van het artikel, telefonisch contact met De M. opgenomen. De M. heeft hem slechts kort te woord gestaan en wilde niet ingaan op een voorstel tot nader overleg op een ander tijdstip. Aan Hagesteijn heeft Voskuil geen commentaar gevraagd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers richten zich op de passages in het artikel die betrekking hebben op dan wel verband houden met de Gravenborgh Groep. Zij stellen zich op het standpunt dat de berichtgeving dienaangaande op verschillende punten onjuist en bewust kwetsend is. De M. is volgens hen slechts freelance adviseur van de Gravenborgh Groep en Hagesteijn is zelf verantwoordelijk voor de organisatie. Hoewel Hagesteijn in het artikel niet bij naam genoemd wordt, wekt het artikel volgens hem wel de indruk dat hij een stroman is voor een oplichter. Klagers betogen ook dat ten aanzien van hen hoor en wederhoor ten onrechte niet is toegepast.

Verweerders handhaven dat De M. gebruik maakt van stromannen en zich onder meer van de Gravenborgh Groep bedient voor zijn oplichterspraktijken. Zij stellen over vele schriftelijke en mondelinge bronnen te beschikken die dat bevestigen. Verweerders wijzen erop dat het artikel niet over de Gravenborgh Groep, maar over De M. gaat. De Gravenborgh Groep wordt slechts in de zijlijn genoemd, Hagesteijn in het geheel niet. Verweerders stellen zich op het standpunt dat, onder deze omstandigheden, met het vragen van commentaar aan De M. voldoende hoor en wederhoor is toegepast.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Partijen verschillen van mening over de feitelijke juistheid van het artikel. De Raad beschikt echter niet over de middelen om vast te stellen dat de in het artikel vermelde feiten onjuist zijn. Op dat punt kan de klacht dan ook niet slagen.

Voor de vraag of voldoende hoor en wederhoor is toegepast, is allereerst van belang dat het artikel over De M. gaat en niet over de Gravenborgh Groep. De vennootschap is slechts in de context van het grotere geheel genoemd, Hagesteijn in het geheel niet. Wel is het zo dat verweerders in het artikel een andere interne rolverdeling bij Gravenborgh aannemen dan voortvloeit uit de juridische, formeel kenbare verhoudingen. Het ligt bij publicatie van een dergelijke stelling in de rede de reactie daarop te vragen van de statutair directeur van de betrokken vennootschap. Hoewel de Raad niet kan overzien of het horen van Hagesteijn van invloed zou zijn geweest op de inhoud van het artikel, had Hagesteijn de gelegenheid dienen te worden geboden op de stelling te reageren, alvorens tot publicatie ervan werd overgegaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die er toe strekt dat verweerders ten onrechte aan klagers geen commentaar hebben gevraagd op de passages in het artikel die betrekking hebben op Gravenborgh en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze uitspraak te publiceren in de Nieuwe Revu.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 2000, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof.mr. E.C.M. Jurgens en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2000-38