2000/37 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Peter R. de Vries

tegen

Ing. A. Aboutaleb en het Dagblad Trouw

Bij brief van 8 december 1999 met vijftien bijlagen heeft Peter R. de Vries (klager) een klacht ingediend tegen Ing. A. Aboutaleb en het Dagblad Trouw (verweerders). Bij brief van
4 februari 2000 heeft J. de Berg, hoofdredacteur van Dagblad Trouw op de klacht gereageerd en bij brief van 21 februari 2000 met negen bijlagen heeft de heer Aboutaleb op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 april 2000. Klager is daar in persoon verschenen, verweerders zijn niet verschenen. Wegens plotselinge afwezigheid van een van zijn leden heeft de Raad de klacht met vier personen behandeld. Klager had daartegen geen bezwaar.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Aboutaleb schrijft om de week een bijdrage voor de Podium-pagina van Dagblad Trouw. Op 29 oktober 1999 is een column van hem gepubliceerd onder de kop "Media verklaart onschuldigen steeds vaker tot dader". In deze column schetst Aboutaleb enkele zijns inziens zichtbare tendensen in de journalistiek, welke hij deels illustreert aan de hand van de onopgeloste moord op de 16-jarige Marianne Vaatstra.

In de column zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

"Toen korte tijd later duidelijk werd dat na de moord op Marianne twee mannen uit het asielzoekerscentrum met onbekende bestemming waren vertrokken, werd de jacht geopend op de foto's van de mannen. Het SBS6 programma Peter R. de Vries misdaadverslaggever en De Telegraaf publiceerden de foto's van wat zij de dader en de getuige noemden. De politie werd zo bijna gedwongen een onderzoek in de richting van de twee mannen te openen. De media ontpopten zich als pressiegroep in dienst van het algemeen belang."
en:
"De zaak-Vaatstra had in kringen van journalisten en de Nederlandse Vereniging van journalisten tot een debat moeten leiden over de vraag of deze werkwijze acceptabel is."
en:
"Het resultaat is dat een onschuldige man door de media tot dader is verklaard. Is het niet zo dat journalisten in hun opleiding geleerd wordt dat opgepakte, aangehouden of gezochte personen altijd in eerste aanleg verdachten zijn? (...) De Nederlandse media zijn hard bezig op dit punt af te glijden naar een bedenkelijk niveau."

Klager heeft op 29 oktober 1999 een brief aan de Podium-redactie van Trouw gezonden met de mededeling dat de column van Aboutaleb op een aantal punten onjuist is. Hij heeft erop gewezen dat hij de verdachte nimmer als dader, maar slechts als verdachte heeft aangeduid en dat in zijn programma de foto's eerst zijn gepubliceerd, nadat Justitie de mannen officieel tot verdachte en getuige had bestempeld en opsporing via Interpol was verzocht. Klager heeft in zijn brief verzocht zijn reactie op de Podium-pagina te publiceren. Een medewerker van het programma van klager heeft hierover ook nog twee maal met de Podium-redactie gebeld.

Op 3 november 1999 is de reactie van klager als ingezonden brief gepubliceerd, onder de kop "Onschuldigen en daders". De tekst van de reactie is op vijf plaatsen ingekort.

Bij faxbrief van diezelfde datum heeft klager zich er bij de hoofdredacteur van Trouw over beklaagd dat de reactie is geplaatst in de vorm van een - ook nog ingekorte - ingezonden brief en niet, zoals hij bedoelde en volgens hem telefonisch was afgesproken, als redactionele bijdrage. Klager heeft de hoofdredacteur gevraagd in de krant afstand te nemen van de onjuiste uitlatingen van Aboutaleb. De hoofdredacteur heeft bij faxbrief van 3 november 1999 daarop gereageerd. Deze reactie komt er op neer dat klager voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn reactie op de column aan de lezers kenbaar te maken. Vervolgens is nog diezelfde dag nader tussen partijen gecorrespondeerd en enkele dagen nadien tussen hun advocaten.

In zijn column van 12 november 1999 heeft Aboutaleb opnieuw aandacht aan de kwestie geschonken. Hierin schreef hij dat "het woordje 'dader' inderdaad onjuist gekozen is en 'verdachte' had moeten zijn" en dat "op het punt van volgtijdelijkheid, de volgorde waarin de dingen gebeurd zijn, De Vries gelijk heeft". Daaraan heeft hij toegevoegd: "Dat doet echter niets af aan het feit dat ik juist principieel het publiceren van foto's van verdachten betwist. (...)"

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de column van Aboutaleb feitelijke onjuistheden bevat die hem schaden. Hij had zich voorafgaand aan de publicatie van de juistheid van zijn stellingen moeten vergewissen, temeer daar hij beschuldigingen uit zonder wederhoor. Trouw is volgens klager, door zijn reactie te plaatsen in de vorm van een - deels ingekorte - ingezonden brief, in gebreke gebleven hem een evenwichtig weerwoord te bieden. Ook de column van 12 november 1999 van Aboutaleb biedt volgens klager geen soulaas, nu deze eerst twee weken later is verschenen en de gemaakte fouten slechts in de context van een herhaald ongenoegen over het programma van klager zijn erkend.

Aboutaleb betoogt primair dat hij niet als journalist werkzaam is en de Raad derhalve de klacht niet in behandeling kan nemen. Subsidiair betoogt hij dat hij klager voldoende is tegemoet gekomen in de correspondentie tussen partijen en in de column van 12 november 1999.
Trouw stelt dat klager zich terecht heeft beklaagd over de passages in de column van Aboutaleb en dat hij recht had op een weerwoord. Betwist wordt echter dat was toegezegd dat dit een andere vorm zou krijgen dan een ingezonden brief. Trouw wijst er daarbij op dat van de Podium-pagina de ingezonden brieven over het algemeen het meest worden gelezen. Verder betoogt Trouw dat het haar vrijstond de reactie van klager in te korten. Op de Podium-pagina staat geregeld vermeld dat de redactie zich het recht voorbehoudt ingezonden brieven te redigeren of in te korten. Los daarvan waren de coupures, die betrekking hadden op drie mededelingen verdeeld over zes zinnen en één bijwoord, ook inhoudelijk verantwoord. De inkorting deed aan de boodschap van de ingezonden brief niet af.

BEVOEGDHEID

Het handelen van Aboutaleb is aan te merken als journalistieke werkzaamheden, als bedoeld in artikel 4 van de statuten van de Raad. De klacht kan derhalve door de Raad worden beoordeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Verweerders hebben erkend dat in de column van Aboutaleb fouten zijn gemaakt die rechtgezet dienden te worden. Een ingezonden brief van klager is in enigszins verkorte vorm geplaatst. De klacht is dat dit geen voldoende rechtzetting van de gemaakte fouten is.

De Raad kan niet vaststellen dat is afgesproken de reactie van klager te plaatsen in de vorm van een artikel. De klacht kan dus, voor zover deze inhoudt dat die afspraak niet is nagekomen, niet slagen. De reactie van klager is als ingezonden brief geplaatst in hetzelfde deel van de krant, waar ook de column van Aboutaleb is verschenen. De brievenrubriek valt ook onder de Podium-redactie. Klager heeft hiermee voldoende de gelegenheid gekregen weerwoord op de column van Aboutaleb te geven. De aangebrachte coupures in de tekst hebben geen afbreuk gedaan aan de inhoud daarvan en zijn derhalve niet ontoelaatbaar.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze uitspraak te publiceren in het Dagblad Trouw.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 2000, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. Mr. E.C.M. Jurgens en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2000-37