2000/36 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de stichting Bond tegen het vloeken

tegen

de hoofdredacteur van het programma 'Waskracht' (VPRO)

Bij brief van 24 november 1999 met als bijlage een video-opname van de desbetreffende uitzending heeft R. van de Poll namens de stichting Bond tegen het vloeken te Veenendaal (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het programma 'Waskracht' (verweerder). Hierop heeft H.M. van den Brink, hoofdredacteur televisie van de VPRO, gereageerd in een brief van 31 januari 2000 met een bijlage. Klaagster heeft bij brief van 17 februari 2000 nog een bijlage ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2000. Namens klaagster zijn daar verschenen voornoemde Van de Poll en J. Bunte, voorlichtster. Verweerder is daar verschenen, vergezeld van F. Stoopendaal, juridisch medewerker van de VPRO. De Raad heeft de video-opname voorafgaand aan de zitting bekeken.

DE FEITEN

Op 31 augustus 1999 is in het programma 'Waskracht' aandacht besteed aan Amerikaanse televisiedominees (hierna: de uitzending). R. Muntz, medewerker van de VPRO, heeft zich in de uitzending onder meer voorgedaan als Nederlandse (televisie)dominee. In die hoedanigheid heeft Muntz aan een Amerikaanse dominee meegedeeld dat 'God bless you' in het Nederlands 'Godverdomme' zou zijn, waarna de Amerikaanse dominee op zijn verzoek deze vloek enkele malen heeft uitgesproken. Ook Muntz heeft in de uitzending een aantal keren gevloekt.
Klaagster heeft bij brief van 7 september 1999 haar bezwaren tegen de uitzending kenbaar gemaakt aan het bestuur van de VPRO en aan verweerder een afschrift van deze brief gestuurd. In een reactie van 20 september 1999 heeft verweerder de bezwaren van klaagster van de hand gewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de programmamakers van de uitzending zich daarin van afkeurenswaardige methoden hebben bediend en dat de normen van respect voor godsdienst en geloof daarin met voeten zijn getreden. Voorts is volgens haar sprake van blasfemische misleiding, aangezien Muntz gesprekspartners aanzet tot vloeken, terwijl hij ze laat geloven dat ze God prijzen. Zij betoogt dat door de uitzending haar belangen zijn geschaad, omdat haar doelstelling om het vloeken te bestrijden met verwerpelijke en maatschappelijk onzorgvuldige journalistieke methoden onderuit wordt gehaald.
Desgevraagd is namens klaagster ter zitting meegedeeld dat zij van oordeel is dat sprake is van een journalistieke gedraging. Volgens klaagster is iemand die voor een omroep werkt journalistiek bezig en dient deze zich, ook als sprake is van een amusementsprogramma, in de bejegening van derden te houden aan journalistieke regels. Zij wijst verder op de brieven van verweerder van 20 september 1999 en 31 januari 2000 waarin deze schrijft dat in de uitzending het handelen van de televisiedominees 'aan de kaak is gesteld'. Klaagster stelt dat hieruit volgt dat de uitzending in elk geval als journalistiek product is bedoeld.

Verweerder betreurt het dat klaagster aanstoot heeft genomen aan de uitzending. Hij stelt dat de methode die is gebruikt om het verschijnsel van de televisiedominee aan de kaak te stellen bijna volledig is ontleend aan de methodieken die televisiedominees zelf aanwenden. Volgens verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of zijn werkwijze toelaatbaar is de macht en de positie van het doelwit mede in ogenschouw worden genomen. Doorslaggevend is volgens hem dat sprake is van een machtige 'beroepsgroep' die vrij ongestoord zijn misleidende werk kan doen.
Desgevraagd deelt hij ter zitting mee dat het aan de kaak stellen van misstanden ook door satirici geschied. De uitzending bevindt zich volgens verweerder in het grensgebied tussen satire en journalistiek. Hij stelt dat een maatschappelijk verschijnsel op een ongebruikelijke manier, deels wel en deels niet journalistiek, is belicht. Verweerder merkt op dat hij zich niet wil onttrekken aan een oordeel van de Raad.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek wordt onder een journalistieke gedraging verstaan: "een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep". Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: "degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard".
De uitzending ligt tegen de grens aan van hetgeen onder een van de hiervoor genoemde begrippen kan worden geschaard. Weliswaar bevat zij enige journalistieke elementen, met name het aan de kaak stellen van het gedrag van televisiedominees, maar dit betekent nog niet dat sprake is van een journalistieke gedraging in de zin van voormelde bepalingen, gelezen in onderling verband. Naar het oordeel van de Raad hebben de overige elementen, zoals satire en amusement, een zodanige invloed op de uitzending dat deze in zijn geheel als overwegend van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt.
De Raad overweegt dat het journalistieke normenstelsel voor de beoordeling daarvan niet is bedoeld. Gezien het voorgaande acht de Raad zich onbevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de gewraakte uitzending.
Ten overvloede overweegt de Raad dat zijn uitspraak is beperkt tot de uitzending en niet noodzakelijkerwijs van toepassing is op andere uitzendingen het programma 'Waskracht'.

BESLISSING

De Raad verklaart zich niet bevoegd om over de gewraakte uitzending te oordelen.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 'Waskracht'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 mei 2000 mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mr. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. B.L.W. Tillema en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-36