2000/35 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F. Steenkamp

tegen

de hoofdredacteur van Elsevier

Bij brief van 8 december 1999 met zeven bijlagen heeft F. Steenkamp te Leiden (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Elsevier (verweerder). Hierop heeft A. Joustra, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 17 januari 2000.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2000 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Eind september 1999 heeft verweerder de special "Beste Studies" gepubliceerd. Naar aanleiding daarvan heeft klager aan verweerder op of omstreeks 28 september 1999 een ingezonden brief gestuurd. Een nieuwe versie van deze brief is op 19 oktober 1999 door klager verstuurd.
Delen van de brief van klager zijn op 6 november 1999 in Elsevier in de rubriek "Brieven" gepubliceerd en voorzien van commentaar. De publicatie bevat onder meer de volgende passages:
"Dan ligt er een brief van Frank Steenkamp, hoofdredacteur van de Keuzegids Hoger Onderwijs. Hij vindt dat Elsevier door de bekopping verkeerde indrukken wekt. Niet Groningen en Leiden verdienen een 'tip' van de studenten. Daar had Nijmegen bij moeten staan. 'De twee halen drie goud en vier zilver. Nijmegen krijgt drie goud en vier zilver.'" en "Voorts wijst Steenkamp erop dat de Hogeschool van Utrecht niet alleen goede, maar zelfs meer slechte studierichtingen telt dan Elsevier in de samenvatting vermeld heeft. Wat hem tot de conclusie brengt: 'Áan de waarde van uw enquêtes per studie wil ik niets afdoen. Maar in de conclusies plaatst Elsevier de verkeerde winnaars in de schijnwerpers. Helaas wordt zulke desinformatie ijverig door de media verspreid. Met alle verwarrende gevolgen vandien.' Grote woorden van een hoofdredacteur die gesubsidieerd door de overheid kennelijk graag de concurrent in eigen huis vermanend toespreekt. Te opmerkelijker ook daar de Keuzegids al jaren van Elsevier gegevens overneemt, zonder daarvoor toestemming te vragen en zonder te betalen. Gegevens die Elsevier op eigen kosten door onderzoekers laat verzamelen en analyseren. Valse concurrentie dus."
Bij brief van 7 november 1999 maakt klager zijn bezwaren kenbaar tegen de wijze waarop zijn brief is gepubliceerd en verzoekt hij om rectificatie, alsmede om plaatsing van een nieuwe ingezonden brief. In zijn reactie van 12 november 1999 schrijft verweerder onder meer: "Ik begrijp dat u ontstemd bent dat we niet onmiddellijk hebben gereageerd. Graag wil ik daar ruimhartig onze excuses voor aanbieden. We hebben echter even willen wachten tot alle reacties binnen waren om ze dan, zoals u heeft kunnen zien, gezamenlijk af te drukken, inclusief antwoorden, verduidelijkingen en inderdaad een verschrijving (vier in plaats van drie). Ik vermoed dat u uw overige bezwaren het beste zelf onder woorden kunt brengen voor onze lezers en ben dan ook benieuwd naar uw reactie voor de ingezonden-brievenrubriek. Uiteraard zal ik uw repliek met de grootste welwillenheid bejegenen, mits u de lengte enigszins weet te beperken."
Hierop heeft klager op 15 november 1999 aan verweerder een nieuwe ingezonden brief doen toekomen. Het begeleidend schrijven bij deze brief bevat de passage: "Ik heb mij beraden over het feit dat u er niet voor kiest om, zoals door mij verzocht, te rectificeren. In het belang van de kwaliteit van de discussie ben ik bereid daar overheen te stappen, mits u inderdaad deze week overgaat tot onverkorte plaatsing van bijgaande ingezonden brief. Die brief concentreert zich volledig op de inhoudelijke, voor de lezer relevante discussie. Het bleek niet goed mogelijk een dergelijk betoog te combineren met het rechtzetten van uw schrijffouten of een weerwoord op een misplaatste beschuldiging. Over deze zaken stap ik daarom luchtig heen." De eerste alinea van de ingezonden brief van klager luidt: "In Elsevier van 5 november is een brief van ondergetekende, over de special "Beste Studies", verminkt weergegeven. Ik accepteer de excuses van de redactie en wil graag alsnog op de kern van de zaak in te gaan."
De brief van klager is gepubliceerd in Elsevier van 27 november 1999, waarbij de eerste alinea van de brief is weergegeven als volgt: "In de brievenrubriek (Elsevier, 6 november) is de reactie van Frank Steenkamp over de special De beste studies verminkt weergegeven. Hieronder gaat hij alsnog in op deze Elsevier-bijlage." Voor het overige is de brief van klager integraal opgenomen en voorzien van een naschrift.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder zijn ingezonden brieven onzorgvuldig heeft behandeld. Volgens klager is allereerst sprake van onevenredig tijdrekken, aangezien zijn brieven niet direct na de ontvangst ervan zijn geplaatst, terwijl verweerder hem daarover niet heeft geïnformeerd. Voorts stelt klager dat zijn eerste brief in verminkte vorm is gepubliceerd, namelijk afgewisseld met tegenwerpingen en ontdaan van belangrijke argumenten. Bovendien is die geplaatst met een cruciale overtikfout door de vermelding 'De twee halen drie goud en vier zilver' in plaats van 'De twee halen drie goud en drie zilver'. Verder heeft verweerder er beschuldigingen aan zijn adres aan toegevoegd en geweigerd deze alsnog te onderbouwen of te rectificeren, aldus klager.
Hij wijst er verder op dat verweerder de zinsnede "Ik aanvaard de excuses van de redactie" uit zijn tweede brief heeft geschrapt. In dit verband stelt klager dat hem verder strekkende excuses zijn aangeboden dan vermeld in de brief van verweerder van 12 november 1999, maar dat dit telefonisch is geschied en niet is vastgelegd.
Desgevraagd deelt klager ter zitting mee dat hij in zijn ingezonden brief van 15 november 1999 niet is ingegaan op de aan zijn adres geuite beschuldigingen, omdat hij het debat over de kwaliteit van het onderwijs voor het voetlicht wilde krijgen. Er bestond geen ruimte om beide te doen en hij wilde de zaak bovendien niet op de spits drijven, aldus klager.
Hij erkent dat redacties het recht hebben om ingezonden brieven af te wijzen, in te korten en van een naschrift te voorzien. Voorts is hem niet toegezegd dat zijn brieven in ongewijzigde vorm zouden worden geplaatst. Wat betreft zijn tweede brief wijst klager er op dat deze voorafgaand aan de publicatie ongewijzigd en voorzien van een naschrift aan hem is toegestuurd.
Klager wijst nog op de achtergronden van de totstandkoming van zijn uitgave en van de Elsevier-special en stelt dat de redactie van Elsevier niet bereid is geweest tot 'fair play'.
Ten slotte betoogt klager dat door de handelwijze van verweerder zijn belangen en goede naam onnodig zijn geschaad.

Volgens verweerder blijkt uit het klaagschrift dat partijen met betrekking tot de publicatie van de eerste ingezonden brief van klager een schikking hadden getroffen en overeengekomen zijn dat een nieuwe ingezonden brief zou worden gepubliceerd.
Wat betreft de bezwaren van klager tegen de publicatie van zijn tweede brief, stelt verweerder dat geen publicatiedatum is overeengekomen. Hij wijst er op dat de brief van klager op maandag 15 november 1999 is ontvangen, terwijl Elsevier in de nacht van dinsdag op woensdag wordt gedrukt en de dagen daarvoor persklaar wordt gemaakt. Het nummer van 27 november 1999, dat op 24 november 1999 in de kiosk lag, was de eerste gelegenheid om de brief van 15 november 1999 te plaatsen, aldus verweerder.
Hij stelt voorts dat de zinsnede over excuses is geschrapt, omdat blijkens zijn brief van 12 november 1999 alleen excuses zijn aangeboden voor de late reactie op de eerste brief van klager met vermelding van de reden. Volgens verweerder suggereerde klager in zijn tweede brief ten onrechte dat de redactie zich voor de hele gang van zaken zou hebben verontschuldigd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft enerzijds betrekking heeft op plaatsing van de eerste ingezonden brief in verminkte vorm, het toevoegen van beschuldigingen en de weigering deze te onderbouwen en te rectificeren. De wijze waarop deze brief is gepubliceerd kan weliswaar als weinig 'chique' worden omschreven, doch klager heeft zijn bezwaren op dit punt laten vallen door daar in zijn ingezonden brief van 15 november 1999 niet op terug te komen en in zijn begeleidend schrijven aan verweerder mee te delen: "Het bleek niet goed mogelijk een dergelijk betoog te combineren met het rechtzetten van uw schrijffouten of een weerwoord op een misplaatste beschuldiging. Over deze zaken stap ik daarom luchtig heen." De klacht moet op deze onderdelen dan ook worden afgewezen.
Verder betreft de klacht de tijdsduur tussen ontvangst van de brieven en publicatie daarvan. Wat betreft de eerste brief heeft verweerder in zijn brief van 12 november 1999 onder vermelding van de reden voor de late reactie zijn excuses aan klager aangeboden. Gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd, is aannemelijk dat de tweede ingezonden brief zonder vertraging is gepubliceerd. De Raad komt derhalve op dit punt evenmin tot het oordeel dat verweerder ontoelaatbaar heeft gehandeld.
Ten aanzien van het schrappen van de zinsnede over de door verweerder aangeboden excuses heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat deze excuses meer behelsden dan de late publicatie van de eerste brief. Zoals klager heeft erkend, kunnen ingezonden brieven worden ingekort en is hem niet toegezegd dat zijn brief ongewijzigd zou worden geplaatst. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, kan dan ook niet worden geoordeeld dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Elsevier te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 mei 2000 mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mr. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. B.L.W. Tillema en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-35