2000/32 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.M.M. Mulders en R.C.A.M. Philippart

tegen

J. Wesseling en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brief van 18 november 1999 met 5 bijlagen, gevolgd door een brief van 29 november 1999 hebben M.M.M. Mulders te Tilburg en R.C.A.M. Philippart te Maastricht (klagers) een klacht ingediend tegen J. Wesseling en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkenen).
Hierop heeft F.E. Jensma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 21 december 1999. Vervolgens hebben klagers bij brief van 8 maart 2000 met 5 bijlagen nog een nadere toelichting op de klacht gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 maart 2000. Klagers verschenen in persoon. Van de zijde van NRC Handelsblad verschenen de heer Jensma en mevrouw M. Vermeijden.

DE FEITEN

Mulders is een in Nederland bekend beeldend kunstenaar. Philippart is liefhebber, kenner en verzamelaar van het werk van Mulders.
Museum De Pont in Tilburg toonde van 11 september 1999 tot 9 januari 2000 een overzichtstentoonstelling van het werk van Mulders. NRC Handelsblad publiceerde op 21 oktober 1999 een recensie van deze tentoonstelling, van de hand van Janneke Wesseling. De kop boven de recensie luidde: 'Mulders schildert voor een betere wereld'. Volgens de recensente is Mulders 'tegen abstracte, autonome kunst, omdat die op zichzelf betrokken is en niet tot de mensen spreekt'. Mulders zou 'een kruistocht tegen de conceptuele, autonome kunst' voeren. Verder schrijft zij: 'Het succes van Mulders berust op het succes van de clichés van de schilderkunst, zoals een lekkere vette penseelvoering, veel pasteuze materie en een gemakkelijk herkenbare, sentimentele onderwerpkeuze. Zijn werk is Music for the millions. Mulders is de Julio Iglesias van de schilderkunst'. Over het werk van Mulders zegt ze onder meer: 'Mulders mengt zoveel kleuren dooreen dat een modderige grijzige brij ontstaat waarin zijn inktvissen en chrysanten hopeloos blijven steken' en 'er zit geen licht in, de kleuren stralen niet' en voorts 'Mulders heeft naar eigen zeggen 'een sublieme techniek ontwikkeld, maar dit is een lichte overdrijving'. Mulders zou schilderen 'naar oude meesters als Leonardo da Vinci en Rembrandt'. Echter '(...) drama is er wel bij Rembrandt en Van Gogh, maar niet hier. Alles wat Mulders doet, is al eerder en oneindig veel beter gedaan. Hij voegt er niets aan toe, al probeert hij dit wel, door mee te liften met 20ste-eeuwse pioniers van de monochrome schilderkunst (..)'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Mulders voelt zich door de recensie ernstig gegriefd. Het artikel is volgens hem een optelsom van feitelijke onjuistheden en badinerende uitspraken. Mulders is niet tegen abstracte, autonome kunst. Deze kunstvorm is juist een grote bron van inspiratie voor hem. Dat geldt ook voor de conceptuele autonome kunst. Wel zet hij kritische vraagtekens bij de neonconceptuele kunst, maar dat is een andere stroming. Wesseling gaat volgens Mulders zeer slordig om met het in de vakwereld gebezigde begrippenapparaat van stromingen en -ismen, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij de schilder Robert Ryman een conceptueel schilder noemt. Zij beschuldigt Mulders ten onrechte van dogma's. Het is onmogelijk dat Wesseling inktvissen en chrysanten op de tentoonstelling heeft waargenomen, want er waren geen doeken met inktvissen en chrysanten aanwezig. Ook de aanduiding 'grijzige brij' is volgens Mulders niet op zijn plaats, want er waren 7 zwarte schilderijen en 45 doeken met licht en kleur alom. Wesseling schrijft dat in zijn werk 'Roosvenster' geen licht zit en de kleuren niet stralen. Kennelijk wil zij de beeldassociatie die een titel bij haar oproept verwezenlijkt zien in het werk. Nu dit niet gebeurt veroordeelt zij - ten onrechte - het schilderij. De passage over zijn techniek suggereert dat hij door Wesseling wordt geciteerd. Hij heeft haar echter niet gesproken en voor zover uit een vroeger interview wordt geciteerd, gebeurt dit onvolledig. Voorts zou Wesseling hem ten onrechte een 'sentimentele onderwerpkeuze' toeschrijven en suggereren dat een groot deel van zijn oeuvre bestaat uit schilderijen naar oude meesters. Slechts 6 van zijn 475 werken zijn geïnspireerd door oude meesters. Mulders wil zich niet op hetzelfde podium verheffen als zij, hij vindt citeren naar oude meesters een normaal proces bij schilders. De vergelijking met 'music for millions' en 'Julio Iglesias' getuigt van minachting.
Mulders heeft de krant verzocht een ingezonden brief van Philippart, waarin de bezwaren tegen de recensie zijn verwoord, te plaatsen. Hij beschouwt dit als een vorm van wederhoor. De krant heeft zijn verzoek naar zijn mening niet gehonoreerd.

NRC Handelsblad beschouwt de recensie, na de column, als de meest persoonlijke journalistieke vorm. De recensent heeft bij het geven van zijn oordeel een grote mate van vrijheid, zowel in inhoud als in vorm. Voor hem geldt maar één dwingend voorschrift: de totale onafhankelijkheid van zijn mening. In NRC Handelsblad hebben eerder gunstige recensies van het werk van Mulders gestaan. De krant staat echter open voor meerdere meningen. Wesseling is al bijna 20 jaar recensent van de krant. Haar recensie bevat hoofdzakelijk meningen, geen feiten, gebaseerd op een persoonlijke smaak, aldus Jensma. Zij heeft beschreven wat ze heeft waargenomen en ze onderbouwt met harde, maar heldere en controleerbare argumenten haar mening. Waar zij spreekt van een 'grijzige brij' geeft zij een totaaloordeel. In de passage over de inktvissen en chrysanten wordt gerefereerd aan eerder werk van Mulders. Het kunsthistorisch jargon in vakbladen is anders dan in een dagblad, want voor een ander publiek bestemd.
Van een recht op wederhoor kan volgens Jensma geen sprake zijn, omdat er geen klacht is over feitelijke onjuistheden, maar een eis om de recensent te mogen tegenspreken. Een algemeen recht op wederhoor zou het recenseren van kunstuitingen vrijwel onmogelijk maken.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ten aanzien van klager Philippart overweegt de Raad dat deze, nu de recensie alleen Mulders en diens werk betreft, niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Reglement, en om die reden niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat aan een recensent een grote mate van vrijheid toekomt, niet alleen wat de vorm van de recensie betreft, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Bij het geven van zijn, kritisch, oordeel over het werk of de uitvoering waarop de recensie betrekking heeft behoeft hij zich in beginsel niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker of uitvoerder.
De gewraakte recensie behelst in een soms krasse bewoordingen gegoten vernietigende kritiek op het (in Museum De Pont getoonde) werk van Mulders. Dit noch het feit dat Mulders zich niet herkent in het beeld dat aldus van hem en van zijn werk wordt gegeven, kan echter grond opleveren voor het oordeel dat de recensente, Wesseling, heeft gehandeld in strijd met enige journalistieke regel. Het staat haar vrij haar - nu het hier om kunstkritiek gaat: onvermijdelijk subjectieve - mening over het werk van Mulders te uiten in termen als 'modderige grijze brij', 'gemakkelijk herkenbare sentimentele onderwerpkeuze' en zelfs 'Julio Iglesias van de schilderkunst'.
Iets anders is echter, dat in de recensie een tweetal opvattingen aan Mulders wordt toegeschreven waarvan hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze, naar ook de recensente op eenvoudige wijze - door kennis te nemen van publicaties waarin hij bij gelegenheid van eerdere tentoonstellingen aan het woord wordt gelaten - had kunnen vaststellen, de zijne niet zijn. Anders dan in de gewraakte recensie wordt gesteld, is Mulders geen tegenstander van abstracte, autonome kunst en is van een kruistocht zijnerzijds tegen conceptuele, autonome kunst geen sprake. Deze misslagen zijn echter bezien in het geheel van de recensie niet van dien aard dat zij het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat Wesseling de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Ook de klacht over het niet bieden van de gelegenheid tot weerwoord houdt geen stand. Mulders heeft zelf geen weerwoord ter publicatie ingezonden en NRC Handelsblad heeft de ingezonden brieven van derden, onder wie Philippart, niet als weerwoord van Mulders willen publiceren. Dit is de consequentie van het uitgangspunt van de krant dat in het algemeen geen ingezonden stukken over recensies worden geplaatst. De Raad acht het begrijpelijk dat NRC Handelsblad op deze stelregel in dit geval geen uitzondering heeft willen maken.

BESLISSING

De Raad acht Philippart niet ontvankelijk in zijn klacht en acht de klacht van Mulders ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 mei 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mr. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. B.L.W. Tillema en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-32