2000/30 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. Willems

tegen

L. Verheggen (Dagblad De Limburger)

Bij brief van 6 november 1999 met 1 bijlage, aangevuld met een brief van 14 november 1999 heeft de heer B. Willems te Sittard (klager) een klacht ingediend tegen L. Verheggen, werkzaam als redacteur bij Dagblad De Limburger (betrokkene).
Hierop heeft G.M.J. Bouten, adjunct-hoofdredacteur, namens Verheggen gereageerd in een brief van 17 december 1999 met 7 bijlagen. Vervolgens heeft Willems op 24 december 1999 nog een productie aan de Raad gestuurd en op 4 januari 2000 een nadere toelichting op zijn klacht. Bij brief van 18 januari 2000 heeft Bouten daarop gereageerd. Ten slotte heeft Willems met een brief van 6 februari 2000 geantwoord.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 maart 2000 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

Omdat een der leden van de Raad zich wenste te verschonen van deelname aan de behandeling is de zaak behandeld door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Willems reageerde op 26 oktober 1999 met een ingezonden brief op de rubriek Sterrenkijken in Dagblad De Limburger van diezelfde datum. In zijn reactie gaat hij in op beweringen van de journalist omtrent de relativiteitstheorie van Einstein. De brief werd niet geplaatst, maar door Verheggen, redacteur lezerscontacten, voor een reactie doorgestuurd aan de journalist die het desbetreffende artikel had geschreven. Willems werd daarvan op de hoogte gesteld. Op 2 november liet Willems schriftelijk aan Verheggen weten dat hij bezwaar had tegen doorzending van zijn brief aan een derde. Verheggen berichtte vervolgens aan Willems dat hij de brief had doorgestuurd teneinde hoor en wederhoor toe te passen, maar dat hij bereid was voortaan eerst zijn toestemming te vragen om brieven voor te leggen aan betrokkenen. Vervolgens wendde Willems zich tot de raad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Willems heeft bezwaren tegen het feit dat zijn brief zonder zijn toestemming is doorgestuurd aan een freelance medewerker van de krant. Hij is van mening dat daarmee inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer. De brief bevatte immers persoonlijke gegevens, zoals zijn naam en adres.

Betrokkenen zijn van mening dat zij correct hebben gehandeld. Het is gebruik bij de krant om brieven die betrekking hebben op artikelen van redacteuren en freelance medewerkers aan hen voor te leggen voor een reactie, zodat men een afgewogen oordeel kan vellen over de bewuste brieven. De briefschrijvers worden daarvan in kennis gesteld. Telefonisch hoor en wederhoor komt ook voor, maar was volgens Verheggen in dit geval, vanwege de complexiteit van de brief, niet vruchtbaar. Overigens zouden bij publicatie van de brief de naam en woonplaats van Willems zijn vermeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Willems heeft ervoor gekozen om door middel van een voor publicatie bedoelde brief, en dus in het openbaar, een discussie aan te gaan. Hij diende er dan ook rekening mee te houden dat zijn identiteit geen geheim zou blijven.
Het doorsturen van een ingezonden brief aan de schrijver van het artikel waarop wordt gereageerd, levert geen schending van enige rechtsregel op en is niet ongebruikelijk in de journalistieke praktijk. Zeker wanneer, zoals in het onderhavige geval, de juistheid van bepaalde beweringen door de briefschrijver wordt betwist, ligt het voor de hand de schrijver van het artikel in de gelegenheid te stellen daar op te reageren alvorens te besluiten of al dan niet tot plaatsing wordt overgegaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 mei 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-30