2000/3 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Stichting Solidariteit met Iraanse Mensen

tegen

H. Bronkhorst, V.J. Rosier en de Evangelische Omroep

Bij brief van 22 juli 1999 met negen bijlagen heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens de Stichting Solidariteit met Iraanse Mensen (klaagster) een klacht ingediend tegen H. Bronkhorst, V.J. Rosier en de Evangelische Omroep (betrokkenen). Hierop heeft mr. G. Rietkerk, Hoofd Juridische Zaken & Mediabeleid van de Evangelische Omroep (EO), namens betrokkenen gereageerd in een brief van 16 september 1999 met zeven bijlagen, waaronder een video-opname van de gewraakte uitzending. Bij brief van 13 oktober 1999 heeft mr. Kemper nog een afschrift van de statuten van klaagster ingediend. De Raad heeft voorafgaand aan de zitting de video-opname bekeken.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 1999. Klaagster is daar verschenen, vergezeld van mr. Kemper, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota die hij vervolgens heeft overgelegd. Aan de zijde van betrokkenen zijn H. Bronkhorst, mr. G. Rietkerk en J. Kriek, eindredacteur, verschenen.

DE FEITEN

Op 28 juni 1999 is door de EO in het programma 2 Vandaag een televisiereportage van de hand van voornoemde Bronkhorst en Rosier uitgezonden. In deze uitzending werd, kort gezegd, aan de orde gesteld of de geldinzamelingen door klaagster verband houden met de activiteiten van de Mujahedin Khalq, een Iraanse verzetsbeweging.
In de introductie van de uitzending wordt over de geldinzamelingen door klaagster onder meer meegedeeld:"...ze zeggen geld op te halen voor arme weeskinderen in Iran. Vorig jaar wisten ze op die manier ruim acht miljoen gulden in te zamelen. Maar de vraag is of dat geld wel werkelijk naar Iraanse kinderen gaat. 2 Vandaag ging op onderzoek uit. Het blijkt dat er grote vraagtekens bij het officiële verhaal van de SIM kunnen worden gezet en dat dat vergaande consequenties kan hebben..."
Vervolgens worden foto's getoond van collectanten van klaagster en worden drie als voormalige leden van de Mujahedin geïntroduceerde personen geïnterviewd Volgens hen wordt het door klaagster ingezamelde geld onder meer gebruikt voor het bouwen van gevangenissen voor voormalige leden en tegenstanders van de Mujahedin, de aanschaf van wapen voor terroristische acties en het verzorgen van kostbare bloemen voor de leider van de Mujahedin.
Even later deelt de commentaarstem mee dat klaagster volgens ex-leden en deskundigen banden heeft met de Mujahedin, waarna een docent Iraanse Studie Utrecht aan het woord komt. De commentaarstem bericht vervolgens: "De SIM ontkent stellig banden te hebben met de Mujahedin. Maar bij het filmen van deze reportage kwamen opmerkelijke feiten boven tafel, die weldegelijk wijzen op banden tussen de twee organisaties. Zoals bijvoorbeeld een woordvoerder van de SIM, die in Amerika direct betrokken is bij een omkoopschandaal door de Mujahedin. En de BVD die de banden tussen de twee organisaties nog eens bevestigt."

Hierop volgen beelden van activiteiten van leden van de Mujahedin en een uitleg over deze organisatie. De eerder genoemde voormalige leden en de docent komen nogmaals aan het woord en vertellen over hun ervaringen met de Mujahedin. Een van de voormalige leden vertelt dat zij op straat heeft gecollecteerd. De commentaarstem vermeldt onder meer dat de Mujahedin bevriend is met Sadam Hoessein en dat de Mujahedin in een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gebrandmerkt als een terroristische organisatie. Volgens de geïnterviewde woordvoerder van de Mujahedin te Den Haag is het Amerikaanse rapport ontzenuwd en bestaan er geen banden tussen de Mujahedin en klaagster.
De commentaarstem deelt mee dat een woordvoerder van klaagster in de Verenigde Staten betrokken zou zijn bij een omkoopschandaal. Vervolgens wordt het volgende aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) toegeschreven citaat in beeld gebracht: "In Nederland treedt de Mujahedin nauwelijks buiten de kaders van de rechtsorde. Wel zamelen aan de Mujahedin gelieerde stichtingen op tamelijk agressieve wijze geld in." Na dit citaat deelt de commentaarstem mee dat een woordvoerder van de BVD heeft bevestigd dat klaagster een van deze aan de Mujahedin gelieerde stichtingen is en concludeert de stem: "En zo wordt duidelijk dat de SIM weldegelijk directe banden heeft met de Mujahedin. En dus is het de vraag wat er met de miljoenen van de SIM gebeurt."
Ten slotte wordt de directeur van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) geïnterviewd. Deze vertelt onder meer dat er veel klachten uit het publiek zijn gekomen over de werving door klaagster en dat voor het CBF onduidelijk is, waar de door klaagster ingezamelde gelden aan werden besteed. Om deze redenen is, aldus de directeur van het CBF, de in 1994 door klaagster ingediende aanvraag voor een verklaring van steunwaardigheid door het CBF afgewezen. Volgens de directeur komen er nog steeds klachten over klaagster binnen en worden er vragen gesteld of klaagster betrouwbaar is. Zijn reactie luidt, zo deelt hij mee: "Het feit dat ze geen keurmerk hebben of geen verklaring van geen bezwaar is toch wel een indicatie. Het is geen absoluut bewijs, maar ik zou nog maar eens achter m'n kop krabben om daar wat aan te geven."
Na afloop van de reportage wordt meegedeeld dat in de afgelopen weken aan klaagster herhaaldelijk om een reactie is gevraagd maar dat zij voortdurend heeft geweigerd te reageren. Aansluitend hierop wordt een uitlating getoond van CDA Tweede Kamerlid J. Wijn. Het standpunt van de verslaggever "dat het erop lijkt alsof we in de maling worden genomen" wordt door hem bevestigd. Wijn kondigt aan dat hij de Minister zal vragen om deze kwestie tot op de bodem uit te zoeken.

Voorafgaand aan deze uitzending hebben partijen veelvuldig contact gehad. Begin juni 1999 heeft Bronkhorst contact opgenomen met klaagster en om een interview verzocht. Naar aanleiding van dit verzoek heeft klaagster aan mr. Bannenberg, advocaat te Rotterdam, gevraagd om namens haar contact op te nemen met Bronkhorst. In een telefoongesprek van 8 juni 1999 heeft Bronkhorst aan Bannenberg meegedeeld dat hij het commentaar van klaagster wenste op mededelingen van voormalige leden van de Mujahedin over activiteiten van klaagster. Vervolgens heeft Kemper, die inmiddels in de plaats is getreden van Bannenberg, telefonisch contact gehad met Rosier en heeft op 11 juni 1999 een gesprek plaatsgevonden tussen Kemper, A.F.H. van Wasbeek RA, de registeraccountant van klaagster, en Rosier.
In dat gesprek heeft Rosier inzage gekregen in de jaarrekeningen van klaagster en heeft hij om een afschrift daarvan verzocht. Tevens heeft hij gevraagd om een interview met een woordvoerder van klaagster. Voorts is in dat gesprek een eventueel gebruik door betrokkenen van een bepaalde bron aan de orde geweest.

Op 14 juni 1999 heeft Kemper aan Rosier laten weten dat hij geen afschrift van de jaarrekeningen zou krijgen en dat het interview met een woordvoerder van klaagster niet in die week kon plaatsvinden. Kemper heeft in dat gesprek aan Rosier verzocht de uitzending uit te stellen, welk verzoek Rosier afwees.
Bij faxbericht van 15 juni 1999 heeft Rosier aan Kemper meegedeeld dat de eindmontage van de reportage op 18 juni 1999 afgerond diende te zijn en dat hij voor die datum een interview met een woordvoerder van klaagster wenste te hebben. Rosier heeft daarbij aangeboden om daarvoor eventueel naar het buitenland te reizen en aan Kemper verzocht om hem voor 17 juni 1999 10.00 uur te berichten of een interview alsnog kon plaatsvinden.
In een faxbericht van 17 juni 1999 aan Rosier geeft Kemper naam en telefoonnummer op van een zich in Washington bevindende woordvoerder van klaagster. Tevens deelt Kemper hem daarin mee dat het uiten van beschuldigingen over een mogelijke betrokkenheid van klaagster bij wapenexport en onduidelijkheid over de besteding van de gelden jegens klaagster naar zijn mening onrechtmatig is, ook indien klaagster "kennelijk min of meer voor de vorm" in de gelegenheid wordt gesteld om de beschuldigingen te betwisten. Kemper sommeert Rosier in deze fax dan ook om het openbaar maken van dergelijke beschuldigingen achterwege te laten.
Rosier laat in een faxbericht van dezelfde datum aan Kemper weten dat hij de sommatie naast zich neerlegt. Hij ontkent dat het aanbod om klaagster te horen voor de vorm zou zijn gedaan. Voorts vermeldt hij dat hij contact heeft gezocht met de door Kemper opgegeven woordvoerder en dat deze nog niet inhoudelijk heeft gereageerd.
Vervolgens deelt Kemper bij faxbericht van 23 juni 1999 aan Rosier mee dat de Mujahedin afstand zou nemen van hetgeen een bepaalde bron te vertellen heeft. Hij verzoekt Rosier om ongunstige informatie over de activiteiten van klaagster niet dan met de grootste omzichtigheid te beschouwen. Voorts verzoekt hij daarbij om een opgave van de personen, aan wie de naam en het telefoonnummer van de woordvoerder van klaagster zijn doorgegeven.
In een faxbericht van 25 juni 1999 wijst Rosier dit verzoek af. Hij wijst er op dat niet is verzocht om de gegevens van de woordvoerder vertrouwelijk te behandelen en vermeldt dat aan klaagster herhaaldelijk om een interview is verzocht. Voorts deelt hij mee dat de uitzending nogmaals is uitgesteld om klaagster voor de laatste maal in staat te stellen te reageren op het op dat moment gereed zijnde deel van de uitzending. Klaagster wordt hiertoe uitgenodigd op 28 juni 1999 tussen 9.00 en 12.00 uur.
Bij faxbericht van 28 juni 1999 maakt Kemper aan de directie van de EO en aan de eindredactie van 2 Vandaag bezwaren van klaagster kenbaar tegen de handelwijze van Rosier en tegen het voornemen om tot uitzending van het programma in de voorgenomen vorm over te gaan. Kemper deelt mee dat klaagster onder deze omstandigheden haar medewerking weigert, "zowel omdat zij niet het vertrouwen heeft dat door haar te verstrekken informatie niet terstond tegen haar wordt gebruikt en de veiligheid van haar medewerkers ernstig in het gedrang komt, maar ook omdat de gekozen opzet van het programma haar geen enkel vertrouwen geeft dat behoorlijk onderzoek wordt gepleegd en evidente onjuistheden met potentieel hoogst schadelijke gevolgen niet zullen worden uitgezonden." Voor het geval de reportage toch wordt uitgezonden, verzoekt Kemper dat de weigering van klaagster om medewerking te verlenen wordt toegelicht conform een in het faxbericht opgenomen tekst die als volgt eindigt: "SIM is pas bereid tot medewerking indien zij de overtuiging heeft dat een journalistieke productie tot stand komt op basis van een eerlijke en open verzameling en beoordeling van feiten."
Op diezelfde dag verschijnt in Trouw een vooraankondiging van de uitzending, die blijkens de aankondiging die dag om 17.35 uur zal plaatsvinden. In dit artikel wordt onder meer vermeld: "De BVD heeft aan 2Vandaag bevestigd dat de in Den Haag gevestigde stichting SIM voor de Moedjahidien Khalk geld inzamelt."
Naar aanleiding van dit artikel schrijft Kemper in een tweede faxbericht van die dag dat hij van Bronkhorst heeft vernomen dat aan Trouw een band met de uitzending ter beschikking is gesteld en dat hij hieruit afleidt dat de uitzending al klaar is en de teneur vast staat, zulks ondanks de uitnodiging van Rosier om in de ochtend van 28 juni 1999 ten behoeve van de uitzending commentaar te leveren, op welke uitnodiging hij nog niet negatief heeft gereageerd. Kemper stelt vervolgens dat de informatie van de BVD nog niet aan klaagster is voorgelegd en dat klaagster "...uitsluitend voor de vorm om commentaar wordt gevraagd, en niet op basis van een deugdelijk journalistiek onderzoek met hoor en wederhoor 2Vandaag tracht tot een afgerond beeld te komen, voordat besloten wordt hoe de uitzending er precies uit zal gaan zien." Hij deelt vervolgens mede dat de uitzending jegens klaagster onrechtmatig dreigt te zijn.
In zijn faxbericht van 30 juni 1999 deelt Bronkhorst tenslotte aan Kemper mee dat het niet juist is dat het verzoek om een reactie van klaagster slechts een formaliteit was en dat betrokkenen op 28 juni 1999 tot in de middag een cameraploeg gereed hebben gehouden om de woordvoerder van klaagster te interviewen. Volgens het bericht zijn betrokkenen tot een kwartier voor de uitzending bezig geweest met het monteren, omdat de reactie van klaagster ontbrak. De videoband die Trouw heeft gekregen om de vooraankondiging te kunnen maken, betrof - aldus het faxbericht - een voorlopige montage.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster betoogt dat betrokkenen klaagster ten onrechte hebben beschuldigd van oplichting door te zeggen geld in te zamelen voor een humanitair doel, terwijl de gelden in werkelijkheid worden besteed voor onder meer het aankopen van wapens. Betrokkenen hebben deze beschuldiging volgens klaagster tot de hunne gemaakt door in de uitzending mee te delen dat het publiek "in de maling wordt genomen." De aldus geuite beschuldigingen worden zomin ondersteund door het feitenmateriaal, als door de gebruikte bronnen. De bronnen noemen geen concrete feiten en spreken voor een deel niet uit eigen wetenschap. Voorts is in de uitzending volgens klaagster ten onrechte meegedeeld dat zij voortdurend heeft geweigerd om commentaar te geven. In dit verband wijst zij op het gesprek dat Kemper en Van Wasbeek namens haar op 11 juni 1999 met Rosier hebben gevoerd en waarin de beschuldigingen zijn weersproken. Tevens verwijst zij naar de brief van Kemper van 28 juni 1999.
Betrokkenen hebben volgens klaagster ook geen serieus onderzoek willen instellen en alleen voor de vorm een ontkenning van de kant van klaagster willen opnemen. Dat haar weerwoord voor betrokkenen niet ter zake deed, blijkt onder meer uit het feit dat zij geen acht hebben geslagen op de informatie die door Kemper en Van Wasbeek in voormeld gesprek is verstrekt. Betrokkenen hebben het haar onmogelijk gemaakt om een passend weerwoord te geven, aldus klaagster.
Ten slotte betoogt klaagster dat betrokkenen laakbaar hebben gehandeld door gegevens betreffende de woordvoerder van klaagster aan derden te verstrekken en vervolgens te weigeren om aan haar opgave te doen van deze derden. Een beroep op bronbescherming gaat niet op, nu het zou gaan om personen die in opdracht van betrokkenen navraag hebben gedaan naar de woordvoerder van klaagster en daarom als medewerkers van betrokkenen moeten worden beschouwd.

Betrokkenen betogen dat het van groot maatschappelijk belang is om kritisch te kijken naar organisaties die zeggen zich voor een goed doel in te zetten om zo gelden in te zamelen. Zij betogen dat zij in de uitzendingen terecht ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster hebben geuit. Volgens betrokkenen steunen de beschuldigingen weldegelijk op voldoende feitenmateriaal. Zij wijzen er op dat de geïnterviewde voormalige leden van de Mujahedin hebben verklaard regelmatig informatie te hebben ontvangen over financiële banden tussen de Mujahedin en allerlei geldwervingsorganisaties en aldus mededelingen uit eigen wetenschap over klaagster gedaan. De directeur van het CBF is, aldus betrokkenen, een onafhankelijke bron met kennis van zaken. Weliswaar worden in de uitzending geen details vermeld, maar naar betrokkenen betogen is wel sprake van concrete beschuldigingen, die zich voor tegenspraak leenden, indien daaraan behoefte had bestaan.
Wat betreft de vermelding dat klaagster heeft geweigerd te reageren en de klacht betreffende hoor en wederhoor stellen betrokkenen dat zij klaagster op 1, 8, 11 en 25 juni 1999 om een reactie hebben gevraagd. Zij is daar niet op ingegaan. Het gesprek van 11 juni 1999 tussen Rosier, Kemper en Van Wasbeek was een voorgesprek, waarin nog geen beschuldigingen aan het adres van klaagster aan de orde waren. Klaagster heeft bovendien niet te kennen gegeven dat dit gesprek als haar reactie moest worden beschouwd. Voorts betogen betrokkenen dat bijna twee maanden is besteed aan het onderzoek.
Naar betrokkenen betogen miskent klaagster dat de gegevens van een persoon die als woordvoerder is aangewezen niet geheim zijn. Zij hadden de journalistieke plicht om de geloofwaardigheid van de gepresenteerde woordvoerder te onderzoeken. In dat verband hebben zij de gegevens van de woordvoerder aan derden verstrekt. Van legitieme bronbescherming is sprake, nu naar aanleiding van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de woordvoerder van klaagster door bronnen informatie over deze woordvoerder aan betrokkenen is verstrekt.
Ten slotte stellen betrokkenen dat zij kritisch zijn gebleven ten aanzien tot alle bronnen, niet zijn ingegaan op de wens van klaagster om de uitzending te regisseren en als doel hebben een openbaar debat over klaagsters activiteiten uit te lokken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bevat drie onderdelen:
1. Het eerste onderdeel betreft de inhoud van de uitzending. Voor zover klaagster betoogt dat betrokkenen geen beschuldigingen aan haar adres mochten uiten, zolang de juistheid ervan niet is aangetoond, kan zij in dat betoog in zijn algemeenheid niet gevolgd worden. Bij de beoordeling van de vraag of het publiceren van beschuldigingen toelaatbaar is, moet bezien worden hoe deze beschuldigingen zijn geuit en het feitenmateriaal waarop ze zijn gebaseerd. Betrokkenen hebben de beschuldigingen jegens klaagster in de uitzending tot de hunne gemaakt en deze als juist gepresenteerd. Weliswaar heeft klaagster door haar terughoudendheid om een weerwoord te geven bijgedragen aan de overtuiging van betrokkenen dat zij het bij het juiste einde hadden, doch dit neemt niet weg dat het aangedragen feitenmateriaal geen verdergaande conclusie rechtvaardigt, dan dat niet zeker is dat de gelden die klaagster inzamelt louter zo worden besteed, als zij publiekelijk te kennen geeft. Door daarnaast als feit te presenteren dat die gelden worden besteed, als hiervoor omschreven, hebben betrokkenen derhalve grenzen overschreden van hetgeen journalistiek aanvaardbaar is.
2. Voorts wordt geklaagd over de door betrokkenen gevolgde werkwijze. Betrokkenen hebben gemotiveerd gesteld dat zij klaagster een aantal malen de gelegenheid hebben geboden om haar commentaar op de te uiten beschuldigingen te geven. Klaagster stelt dat zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt, omdat het aanbod slechts voor de vorm zou zijn gedaan en in feite geen sprake was van een eerlijke kans om weerwoord te geven. Van gronden om deze stelling van klaagster aan te nemen is echter niet gebleken. Integendeel, door haar handelwijze heeft klaagster het betrokkenen onmogelijk gemaakt een weerwoord te publiceren. Onder die omstandigheden kan betrokkenen het ontbreken van een weerwoord niet worden verweten.
3. Het derde onderdeel betreft het verstrekken van de naam en het telefoonnummer van de woordvoerder van klaagster aan derden. Met betrekking tot verstrekte persoonsgegevens van de als officiële zegsman aangeduide persoon hebben betrokkenen geen vertrouwelijkheid in acht hoeven te nemen, nu daar niet om is verzocht. Het verstrekken van deze gegevens aan derden was daarom evenmin ontoelaatbaar als de weigering van betrokkenen om opgave te doen van de personen, aan wie de gegevens zijn verstrekt.

BESLISSING

De klacht is voor wat punt 1 betreft gegrond en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 2 Vandaag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 januari 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. B.A. Schmitz, J.M.P.J. Verstegen en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-03