2000/29 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 25 november 1999 met een bijlage heeft mr. H. Gaasbeek, advocaat te Haarlem, namens X (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene). Hierop heeft J.J.L. Verweij, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 16 december 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2000 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 9 september 1999 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop "Ingerekend na bel-truc". De intro van het artikel luidt: "In het bureau van de politie in Haarlem liggen tafels vol met tassen, die door een 44-jarige notoire dievegge uit Spaarnestad werden buitgemaakt". Het artikel bevat verder onder meer de zinsnede "...werd tussen de andere gestolen tassen teruggevonden...".
Bij het artikel is een foto geplaatst van een agente die zich buigt over een tafel vol tassen. Klaagster is de in het artikel bedoelde vrouw uit Spaarnestad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel onjuistheden bevat. In het afgeronde onderzoek is, volgens klaagster, slechts sprake van één tas. Het stelen van die ene tas wordt haar ten laste gelegd, aldus klaagster. Voorts stelt zij dat de publicatie van de foto jegens haar onzorgvuldig is, aangezien dit ten doel heeft de in het artikel gemaakte bewering te versterken. Bovendien is volgens klaagster geen hoor en wederhoor toegepast. Zij stelt verder dat zij in het artikel herkenbaar is door haar omschrijving en het relaas over de inbeslagneming van de tasjes. Klaagster wijst op buurtbewoners die gemerkt hebben dat zij bij haar woning werd gearresteerd en dat er een huiszoeking plaatsvond. Na lezing van het artikel legde men, aldus klaagster, direct verbanden. Hetzelfde gold volgens klaagster onder meer voor familie en kennissen.
Klaagster betoogt dat door haar herkenbaarheid, de onware beweringen en de toonzetting van het artikel met foto aan haar aanzienlijke immateriële schade is berokkend. Zij is van mening dat onzorgvuldige publicaties in dit stadium van een strafzaak kunnen leiden tot ernstige schade die nadien nooit meer kan worden hersteld. Ten slotte stelt klaagster dat zij recht heeft op bescherming tegen een dergelijke wijze van nieuwsverschaffing en nieuwsgaring.

Betrokkene heeft wel gereageerd maar wenst niet inhoudelijk op de klacht in te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het kader van de vrije nieuwsgaring stond het betrokkene vrij om aandacht te besteden aan de kwestie als zodanig. De feiten en omstandigheden ten tijde van de publicatie boden naar het oordeel van de Raad voldoende grond voor de inhoud van het artikel. In dit licht kan voorts niet worden geconcludeerd dat plaatsing van de foto jegens klaagster onzorgvuldig is.
Het standpunt van klaagster, dat de wijze waarop zij is aangeduid leidt tot herkenbaarheid, kan niet worden gevolgd. Een dergelijke aanduiding van een verdachte is gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. Dat klaagster wellicht in kleine kring herkend zou zijn, kan daaraan niets afdoen.
Mede gezien het voorgaande kan de klacht over het ontbreken van wederhoor evenmin leiden tot de conclusie dat betrokkene grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 maart 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, mr. B.A. Schmitz en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-29