2000/27 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Prof. ir. M. Zwarts

tegen

I. Blankvoort en de hoofdredacteur van het Nieuw Kamper Dagblad

Bij brief van 5 november 1999 met acht bijlagen heeft prof. ir. M. Zwarts te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen I. Blankvoort en de hoofdredacteur van het Nieuw Kamper Dagblad (betrokkenen). Klager heeft zijn klacht aangevuld bij brief van 10 december 1999 met twee bijlagen. Hierop heeft J. Bartelds, hoofdredacteur, mede namens I. Blankvoort gereageerd in een brief van 22 december 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2000. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn medewerkster T. van den Hoed-de Boer, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

In het Nieuw Kamper Dagblad van 1 oktober 1999 is in de bijlage "De brug is t'rug" een artikel van de hand van I. Blankvoort verschenen onder de kop "Architect Moshé Zwarts van Zwarts en Jansma: 'Het had allemaal wat chiquer gekund'". Het artikel gaat over de door het bureau van klager ontworpen nieuwe stadsbrug in Kampen en bevat twee maal het aan klager toegeschreven citaat "'Kampen heeft geen hart getoond voor de brug. Als ik wethouder was geweest van Kampen had ik de mooiste brug van Nederland laten bouwen'".
Bij brief van 15 oktober 1999, gericht aan Blankvoort, heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt. Hij heeft daarbij verzocht om inzage vooraf in de uitgebreide weergave van het met hem gehouden interview, dat bij de opening van de brug eind november 1999 in een boekje zou verschijnen. Tevens heeft klager verzocht hem de mogelijkheid te bieden deze weergave eventueel te corrigeren en Blankvoort verboden tot plaatsing over te gaan voor het geval zij zijn verzoek niet zou honoreren.
A. Boer, chef redactie Kampen, heeft het verzoek van klager afgewezen in een brief van 20 oktober 1999. Deze brief bevat onder meer de volgende passage: "Bovendien is het boekje reeds zover in productie dat - zelfs als we het in dit uitzonderlijke geval zouden willen - het niet mogelijk is uw wens te honoreren."
Hierop heeft klager in een faxbericht van 22 oktober 1999 aan Boer meegedeeld dat het citaat "...Kampen heeft geen hart getoond voor de brug..." niet door hem is gebruikt. Klager heeft voorts verzocht om toezending van een tijdens het interview opgenomen cassette alsmede van de aantekeningen van Blankvoort en het verbod tot publicatie herhaald.
Nadat klager bij faxbericht van 27 oktober 1999 een herinnering had gestuurd, heeft Boer in een brief van 29 oktober 1999 meegedeeld het ingenomen standpunt niet te herzien. Het slot van deze brief luidt: "Bovendien is, zoals eerder aangegeven, het boekje reeds zover in productie dat het niet mogelijk is de door u voorgestelde procedure te volgen."
Vervolgens heeft Van den Hoed-de Boer telefonisch contact gehad met Boer en Bartelds. Laatstgenoemde heeft op 2 november 1999 aan klager de concepttekst doen toekomen van de uitgebreide weergave van het interview. Deze tekst bevat onder meer het citaat "Kampen heeft geen hart getoond voor de brug."
Klager heeft daarop gereageerd bij faxbericht van 3 november 1999 en opnieuw geprotesteerd tegen de voorgenomen publicatie. In het boekje "Over de brug" dat klager op 26 november 1999 heeft ontvangen komt het citaat "Kampen heeft geen hart getoond voor de brug." niet meer voor.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het in het artikel van 1 oktober 1999 opgenomen citaat "Kampen heeft geen hart getoond voor de brug. Als ik wethouder was geweest van Kampen had ik de mooiste brug van Nederland laten bouwen." aan hem wordt toegeschreven, terwijl hij deze uitspraak nooit heeft gedaan. Verder klaagt hij erover dat betrokkenen hebben geweigerd met een cassette of aantekeningen te bewijzen dat hij het citaat wel heeft gebruikt. Ter zitting deelt klager mee dat hij zich niet meer kan herinneren of Blankvoort tijdens het interview gebruik heeft gemaakt van een bandrecorder.
Klager stelt verder dat hij interviews als het onderhavige voornamelijk geeft vanwege acquisitie voor zijn bureau en dat hij daarbij altijd probeert zo eerlijk mogelijk te zijn. Als er naar kritiek gevraagd wordt noemt hij die voorzichtig, aldus klager. Hij stelt dat hij in dit geval een positief verhaal heeft gehouden en slechts, nadat Blankvoort daarnaar had gevraagd, een klein aantal negatieve dingen heeft genoemd. Volgens klager is de teneur van het artikel echter in eerste instantie negatief, in welk verband hij ook wijst op de kop van het artikel. Desgevraagd deelt klager ter zitting mee dat hij niet heeft gevraagd om het artikel voorafgaand aan de publicatie van 1 oktober 1999 te mogen inzien. De feiten die aan het artikel ten grondslag liggen worden niet door hem betwist, aldus klager.
Voorts wijst hij op het feit dat, ondanks hetgeen aan hem is meegedeeld, in de tekst van het boekje een deel van de gewraakte passage is geschrapt en ook andere zinnen veranderd of geschrapt zijn. Betrokkenen hebben derhalve onwaarheid gesproken over de mogelijkheid tot wijzigen, aldus klager, en nooit enig excuus gemaakt of aangegeven dat ze zijn bezwaren begrepen.
Klager betoogt dat hij door de handelwijze van betrokkenen in zijn eer en goede naam is aangetast. Bovendien leidt dit volgens hem tot schade voor zijn bureau. Ter ondersteuning van deze stelling wijst klager er nog op dat bij de opening van de brug noch hij noch zijn bureau zijn genoemd in het dankwoord van de wethouder en dat deze hem niet wilde spreken.

Betrokkenen stellen dat het aan klager bekend was dat het interview bestemd was voor publicatie in enerzijds een speciale dagbladbijlage en anderzijds een uitgave in boekvorm. Volgens betrokkenen heeft klager geen voorwaarden aan het interview gesteld en zijn geen afspraken gemaakt over enigerlei vorm van autorisatie of correctie.
Zij stellen verder dat door Blankvoort uitsluitend is weergegeven wat zij uit de mond van klager heeft opgetekend en dat zij daarbij zeker niet heeft gezocht naar sensatie en negatieve aspecten. Volgens hen zijn de aard en strekking van het citaat bovendien zodanig, dat Blankvoort dat niet uit eigen beweging zou hebben toegevoegd.
Betrokkenen wijzen er op dat klager niet heeft verzocht om het op 1 oktober 1999 gepubliceerde citaat te rectificeren. Het verzoek van klager om de tekst voor het boekje vooraf toe te zenden om daarin correcties te kunnen aanbrengen is afgewezen, omdat volgens betrokkenen de door klager gewraakte publicatie een goede en correcte weergave is van het gehouden interview. Daarnaast was het productieproces zover gevorderd dat aanpassingen technisch niet meer mogelijk waren, aldus betrokkenen. Volgens hen gaat klager er op basis van een hem toegezonden eerste drukproef ten onrechte van uit, dat dat nog wel het geval was.
Voorts stellen betrokkenen dat Blankvoort geen gebruik heeft gemaakt van een cassetterecorder. Zij hebben geweigerd aantekeningen van Blankvoort aan klager ter beschikking te stellen, omdat deze een persoonlijk karakter hebben. Bovendien kunnen aantekeningen achteraf worden gewijzigd of aangepast en derhalve niet als sluitend bewijs worden gebezigd, aldus betrokkenen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft allereerst de vraag of het artikel van 1 oktober 1999 een correcte weergave bevat van hetgeen klager tijdens het interview heeft verteld. Partijen verschillen hierover van mening. Er is geen materiaal van het interview voorhanden op grond waarvan kan worden beoordeeld wat klager werkelijk heeft gezegd. De Raad deelt in dit verband het oordeel van betrokkenen dat aantekeningen, vanwege de mogelijkheid deze achteraf te wijzigen of aan te passen, niet als (sluitend) bewijs kunnen dienen. Aangezien derhalve niet kan worden vastgesteld of klager uitspraken in de mond zijn gelegd die hij niet heeft gedaan, kan de Raad hierover geen oordeel uitspreken.
Alhoewel de Raad begrip heeft voor het standpunt van klager ten aanzien van de teneur van het artikel, is hij van mening dat het artikel in zijn geheel niet zonder meer als negatief kan worden beschouwd. Daarbij komt dat klager tijdens de zitting heeft meegedeeld, dat hij de aan het artikel ten grondslag liggende feiten niet betwist.
Wat betreft de weigering van betrokkenen een cassette of aantekeningen aan klager ter beschikking te stellen is de Raad van oordeel dat zulks niet kan leiden tot de conclusie dat betrokkenen ontoelaatbaar hebben gehandeld. Immers, betrokkenen stellen dat er geen bandopname is gemaakt en klager heeft ter zitting aangegeven dat hij het inderdaad voor mogelijk houdt dat hij zich op dit punt vergist. Verder heeft de Raad al vastgesteld dat aantekeningen geen sluitend bewijs kunnen vormen zodat zij voor klager geen waarde hebben.
Ten overvloede overweegt de Raad dat hij de mededelingen van betrokkenen aan klager over de onmogelijkheid de voorgenomen tekst voor het boekje, in verband met het productieproces, te wijzigen in strijd acht met hier aan te leggen normen van fatsoen. Immers, vaststaat dat na de brieven van betrokkenen aan klager van 20 en 29 oktober 1999 en na toezending van de concepttekst op 2 november 1999 de tekst toch is gewijzigd. Aangezien evenwel dit punt geen formeel onderdeel vormt van de klacht, maar door klager (slechts) is aangevoerd ter ondersteuning van zijn overige stellingen, kan dit oordeel van de Raad evenmin leiden tot gegrondheid van de klacht.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nieuw Kamper Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 maart 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, mr. B.A. Schmitz en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-27