2000/26 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. van 't Hof

tegen

de hoofdredacteur van de Goudsche Courant

Bij brief van 19 oktober 1999 met een bijlage heeft mr. M.W. Kempe, advocaat te Alphen aan den Rijn, namens B. van 't Hof te Bodegraven (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Goudsche Courant (betrokkene).
Hierop heeft D.M.W. Toet namens betrokkene gereageerd in een brief van 2 november 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2000. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn advocaat die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Namens betrokkene zijn verschenen P. Dijkgraaf, chef-redacteur van de Goudsche Courant, en S. Wunderink, regioverslaggeefster.

DE FEITEN

Op 16 oktober 1999 is in de Goudsche Courant een artikel verschenen onder de kop "Boete voor snackbar na te warm bewaren snacks". De intro van het artikel, dat gaat over klager, luidt: "Voor het te warm bewaren van zijn hamburgers, tartaartjes, kroketten, frikadellen en bamischijven is de 37-jarige eigenaar van snackbar het Raadhuis in Bodegraven gisteren door de Haagse politierechter, mr. J. van Kempen, veroordeeld tot een boete van zeshonderd gulden."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat door de vermelding van zijn leeftijd, handelsnaam, vestigingsplaats en de aard van zijn onderneming zijn privacy teniet is gedaan en herkenning onontkoombaar is geworden. Betrokkene had zich dienen te beperken tot een in de journalistiek gangbare terughoudende aanduiding van personen, die veroordeeld zijn voor strafbare feiten, aldus klager. Hij betoogt dat de aard van het medium, een regionale krant, en de wijze waarop de publicatie plaatsvond, een losstaand omkaderd artikel op de voorpagina van de zaterdageditie, met zich brengt dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld.
Voorts stelt klager dat sprake is van een onjuiste weergave van feiten, omdat hij slechts is veroordeeld voor het te warm bewaren van vier enkelvoudige producten in totaal in plaats van vijf producten in de meervoudsvorm.
Hij stelt verder dat het artikel op 16 oktober 1999 bij zijn klanten onderwerp was van gesprek en dat hij op het artikel is aangesproken. Volgens klager heeft de negatieve publiciteit hem daadwerkelijk geraakt.
Klager betoogt dat hij door de handelwijze van betrokkene onevenredig in zijn belangen is geschaad. Hij wijst in verband met de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en zijn recht op privacy en de bescherming van zijn goede naam op een aantal arresten van de Hoge Raad (HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801; HR 21 januari 1994, NJ 1994, 473; HR 6 januari 1995, NJ 1995, 422; en HR 26 maart 1999, NJ 1999, 469) en op een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 september 1997. Volgens klager volgt uit deze jurisprudentie dat het algemeen belang niet opweegt tegen de ernst van de nadelige gevolgen voor hem. Een correcte belangenafweging had ertoe moeten leiden dat het artikel zodanig was geredigeerd dat hij onherkenbaar was gebleven, aldus klager.
Hij wijst verder op de gedragscode voor Nederlandse journalisten van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Op grond van deze code dient, zo stelt klager, een journalist zich terughoudend op te stellen met betrekking tot de privacy van degene over wie hij schrijft. Volgens klager is zijn algemene herkenbaarheid niet vermeden, terwijl een meer algemene formulering een adequate berichtgeving niet in de weg had gestaan. Weliswaar is in de gedragscode aangegeven dat minder terughoudendheid op zijn plaats kan zijn indien verwarring met anderen kan ontstaan, maar dit biedt volgens klager geen rechtvaardiging voor de gedetailleerde berichtgeving. Betrokkene had kunnen volstaan met een meer algemene omschrijving als bijvoorbeeld "een snackbar/restaurant in het centrum van Bodegraven", aldus klager. Een mogelijk nadeel voor anderen, dat uit een dergelijke algemenere omschrijving zou kunnen voortvloeien, weegt volgens klager niet op tegen zijn belangen. Hij stelt nog dat nagenoeg alle misdrijven en overtredingen vallen onder de verantwoordelijkheid van degene die deze begaat, maar dat niettemin de herkenbaarheid in de berichtgeving moet worden vermeden.
Klager concludeert dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met de gedragscode en dat de volledige vrijheid van meningsuiting beperkt had moeten worden ten behoeve van zijn recht op privacy. Bovendien is artikel 3 van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek overschreden, aangezien betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, aldus klager.

Betrokkene stelt dat de naam van de snackbar van klager is genoemd om op die manier rekening te houden met andere bedrijven. Hij wijst er op dat hij in het verleden een artikel heeft gepubliceerd over een veroordeling van een horecaonderneming in verband met de Warenwet zonder aan te geven om welke onderneming het ging. Vervolgens kreeg hij reacties van andere ondernemers die wensten te benadrukken dat het niet hun onderneming betrof, aldus betrokkene. Hij stelt dat hij sindsdien in dergelijke gevallen de naam van de onderneming vermeldt op een zo anoniem mogelijke manier, waarbij steeds een zorgvuldige afweging plaatsvindt. Hoe meer ondernemingen onder een omschrijving vallen, des te anoniemer deze omschrijving kan zijn, aldus betrokkene. Hij stelt in dit verband dat, naast de snackbar van klager, nog twee andere snackbars in het centrum van Bodegraven zijn gelegen.
Bovendien is, volgens betrokkene, sprake van een duidelijke eigen verantwoordelijkheid van klager, omdat hij de Warenwet heeft overtreden. Betrokkene acht het niet rechtvaardig als andere snackbars daaronder moeten lijden, hetgeen te meer geldt nu zich in de omgeving van de snackbar van klager nog enkele van deze zaken bevinden.
Overigens is betrokkene van mening dat het belangrijk is om het publiek te informeren omtrent kwesties die betrekking hebben op overtredingen van de Warenwet.
Wat betreft de plaatsing in een zaterdageditie wijst betrokkene er op dat de veroordeling op vrijdag is uitgesproken. Verder stelt hij dat het beleid is om het aardigste bericht uit de Goudse regio, in dit geval het bericht over klager, op de voorpagina te plaatsen. Betrokkene stelt ten slotte dat de vorm en de plaats van het artikel een kwestie is die is voorbehouden aan de krant.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft in hoofdzaak de vermelding van de gegevens van klager. Voorop staat dat ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van veroordeelden terughoudendheid in de berichtgeving is geboden. Een journalist dient dan ook in beginsel te voorkomen dat een veroordeelde kan worden geïdentificeerd Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken. Klager heeft aannemelijk gemaakt dat hij in het artikel is herkend. De vraag doet zich dan ook voor of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de handelwijze van betrokkene rechtvaardigen. Dergelijke bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de belangen van derden alsmede in het maatschappelijk belang dat met de publicatie wordt gediend.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de gegevens over klager in het artikel zijn opgenomen ten einde de belangen van anderen te beschermen. Hij heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat in de omgeving van de snackbar van klager nog enkele andere snackbars zijn gevestigd. Het standpunt van klager dat betrokkene had moeten volstaan met een algemenere formulering kan niet worden gevolgd. Het voorkomen van verwarring met andere snackbars rechtvaardigt immers de handelwijze van betrokkene. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de overtreding van de Warenwet door klager is gerelateerd aan zijn onderneming. Het moet voorts van maatschappelijk belang worden geacht dat het publiek wordt geïnformeerd over dergelijke overtredingen. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat er voldoende bijzondere omstandigheden waren om de herkenbaarheid van klager in stand te laten.
Voorts acht de Raad de wijze waarop betrokkene het artikel heeft gepubliceerd, omkaderd op de voorpagina van de zaterdageditie, niet ongebruikelijk of ontoelaatbaar. Terecht wijst betrokkene erop dat hij op dit vlak een grote vrijheid van handelen heeft.
Klager heeft zijdelings nog bezwaar gemaakt tegen het feit dat in het artikel wordt gesproken van vijf snacks in meervoudsvorm in plaats van vier enkelvoudige snacks. Dit gebrek aan nuance leidt echter, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet tot de conclusie dat betrokkene grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Goudsche Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 maart 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, mr. B.A. Schmitz en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-26