2000/25 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. J.N. Scholten

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad, G. Baron van Asbeck en T.J. Meeus

Bij brief van 15 maart 1999 met 9 producties heeft mr. H.J.M. Boukema, advocaat te Amsterdam, namens mr. dr. J.N. Scholten (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad en de journalisten G. Baron van Asbeck en T.J. Meeus (betrokkenen).
Hierop heeft F.E. Jensma, hoofdredacteur, namens betrokkenen gereageerd in een brief van 22 april 1999, voorzien van 21 producties. Mr. Boukema heeft vervolgens op 13 augustus en op 6 september 1999 in totaal 8 aanvullende stukken aan de Raad toegestuurd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 1999 in aanwezigheid van partijen. Mr. Boukema heeft een pleitnota overgelegd. Op verzoek van betrokkenen heeft de Raad de behandeling van de klacht aangehouden en betrokkenen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het betoog van mr. Boukema te reageren.
Jensma heeft per brief van 8 oktober 1999, met bijgevoegd 1 productie gereageerd. Daar heeft mr. Boukema per brief van 9 november 1999 met een productie op geantwoord. Ten slotte heeft Jensma gereageerd met een brief van 16 november 1999.

Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2000, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Scholten is voorzitter van de stichting AWEPA (Association of European Parlementairians for Africa) die hulp biedt in Zuidelijk Afrika Hij is ook de 'executive president' van het AEI (African-European Institute). Scholten is bij beide organisaties verantwoordelijk voor de politieke beleidsaspecten en zorgt voor 'fund raising'. In de afgelopen jaren heeft hij, wegens een ernstige ziekte van de directeur van AWEPA/AEI diens functie, waaronder de verantwoordelijkheid voor de financiën, waargenomen. Van 1983 tot september 1998 was Scholten voorzitter van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN).
Medio september 1998 verscheen een in opdracht van de Scandinavische landen en Ierland gemaakt rapport over AWEPA/AEI (het 'Prodec-rapport'). Dit rapport bevat punten van kritiek op het management, de financiële verslaggeving en het personeelsbeleid van de beide organisaties.
De journalisten Meeus en Van Asbeck verrichtten in de maanden september en oktober 1998 onderzoek naar de stichtingen waarin Scholten een leidende rol speelt. Het hiervoor genoemde rapport was, naast een audit van de Europese Commissie met betrekking tot AWEPA/AEI, voor hen een belangrijke bron. Alvorens tot publicatie van hun bevindingen over te gaan hebben Meeus en Van Asbeck Scholten geïnterviewd. Aan dit gesprek nam ook de Zweedse penningmeester van AWEPA deel. Een bandopname en transcriptie van dit interview zijn aan de Raad overgelegd.
NRC Handelsblad publiceerde de navolgende artikelen over de rol van Scholten:
- 7 november 1998: 'Senator Scholten onder vuur' (pag. 1) en 'De goede werken van Jan Nico Scholten' (Zaterdag-Bijvoegsel, tevens gepubliceerd op de webpagina's van NRC)
- 9 november 1998: 'J.N. Scholten' (correcties en aanvullingen)
- 11 november 1998: 'PvdA-senatoren: Scholten kan blijven'
- 21 november 1998: 'Kritiek EU op financiën stichtingen J.N. Scholten' (pag. 1) en 'Brussel heeft twijfels over boekhouding Scholten' (pag. 2)
- 28 november 1998: 'Herfkens volgt Scholten 'kritisch'
- 7 december 1998: 'Kritiek op functioneren senator'.
In reactie op het artikel van 7 november 1998 bood Scholten middels zijn advocaat bij brief van 13 november 1998 een weerwoord ter publicatie aan Jensma aan. Deze liet weten dat hij het artikel in die vorm niet plaatsbaar vond en adviseerde Scholten om 'beknopt en ter zake' te reageren. Scholten heeft geen nieuw artikel meer ingezonden.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Volgens Scholten laat NRC zich in haar publicaties negatief, suggestief en selectief over hem uit. Positieve opmerkingen uit de door NRC geraadpleegde rapporten ontbreken veelal in de artikelenreeks. Hij wijst erop dat het Prodec-rapport uitsluitend de mening van de rapporteurs vertegenwoordigt en niet de mening van de regeringen die opdracht daartoe gaven.

De publicatie van 7 november 1998 bevat volgens hem onjuistheden.
De bewering (...) maar weigert zijn leden inzicht in de boekhouding te geven, zo blijkt uit het rapport' is onjuist. NRC heeft dit in haar publicatie van 9 november 1998 slechts gedeeltelijk rechtgezet, door te zeggen dat bedoeld wordt geen gedegen inzicht in de boekhouding. Een stichting kent overigens geen leden. De subsidiegevers krijgen financiële verantwoording over door hen gesubsidieerde projecten, alsmede de goedgekeurde jaarverslagen.
Ten onrechte wordt in deze zelfde alinea de onkostenvergoeding die Scholten ontvangt, aangemerkt als een bijzonder privilege. Het bedrag is onder meer bedoeld om de hotelkosten te dekken en is niet extreem hoog.
Voorts heeft Scholten bezwaar tegen de volgende passages in dit artikel:
Enkele Scandinavische landen hebben wegens het rapport besloten de stichtingen van Scholten geen of minder geld te geven, in afwachting van de resultaten van een speciaal accountantsonderzoek dat Denemarken begint. Volgens Scholten hebben Noorwegen en Finland inmiddels substantiële nieuwe subsidies verstrekt;
(....)Allan Boesak leidt de Raad van Toezicht. Later zal Boesak, in eigen land geconfronteerd met beschuldigingen ontwikkelingsgeld ten eigen bate aan te wenden, in die functie vervangen worden door Beyers Naudé. Een verband tussen enerzijds Boesaks vermeende 'wrongdoing' en anderzijds AEI of Scholten is overigens nooit gesuggereerd, laat staan aangetoond. Deze laatste zin acht Scholten overbodig, insinuerend en unfair;
Begin 1998 wordt bekend dat het zeven leden tellende dagelijks bestuur van VWN (Vluchtelingen Werk Nederland, RvdJ) zichzelf per jaar 400.000 gulden aan onkostenvergoedingen en honoreringen uitbetaalt. Scholten maakte als voorzitter deel uit van het dagelijks bestuur. Deze zinsnede insinueert volgens hem dat er sprake is van persoonlijke verrijking. Het genoemde bedrag is bedoeld voor alle bestuurskosten, dus ook voor kosten van andere bestuursorganen;
NRC noemt het Refugiado-project (waarbij voorlichting wordt gegeven over internationale vluchtelingenvraagstukken) omstreden. Volgens Scholten wordt het project alom gewaardeerd. De suggestie van manipulatie door Scholten bij het verkrijgen van geld voor dit project is onjuist. Met een door NRC gepubliceerde correctie (1997 moest zijn 1998) verviel de grond voor het bericht over een te late doorbetaling door AWEPA, maar het bericht in zijn geheel werd niet rechtgezet;
Ook bestaat bij de donorlanden groeiend ongemak over de verwevenheid van Scholtens stichtingen, zoals later ook uit de definitieve versie van het rapport zou blijken. Uit de rapporten blijkt volgens Scholten niets van een 'groeiend ongemak';
De geheimzinnigheid komt vooral tot uiting in financiële kwesties. Adequate interne controle blijkt moeilijk. "Op een bestuursvergadering wordt leden inzage in financiële overzichten gegeven - maar kopieën krijgen ze niet". Het citaat mist feitelijke en juridische grondslag. Aan de bestuursleden wordt inzage verstrekt in de financiële verslaggeving, waaronder accountantsverslagen, aldus Scholten;
Voorts blijken AWEPA c.s. over een uiterst beroerd imago te beschikken onder parlementariërs en sponsors."Het imago van de stichtingen is sterk verbonden met de heer Scholten". Volgens Scholten blijkt dit negatieve imago uit niets. Inmiddels hebben vele subsidiegevers nieuwe projecten gesubsidieerd.
Het artikel van 21 november 1998 bevat de beschuldigende kop: kritiek EU op financiën stichtingen J.N. Scholten. Ten tijde van de publicatie was deze stellingname van de EU achterhaald.
In het artikel van 7 december 1998 ten slotte wordt volgens Scholten zeer selectief geciteerd

Scholten stelt dat ten gevolge van de publicaties zijn reputatie is beschadigd en zijn politieke loopbaan voortijdig is geëindigd. Hij wordt nu in andere media in één adem genoemd met corruptie bij ontwikkelingshulp. Inmiddels is vastgesteld dat er geen sprake is van onregelmatigheden in de financiële verantwoording en heeft de EU de relatie met AWEPA/AEI hersteld.
Scholten is van mening dat NRC ten onrechte heeft geweigerd een door hem aangeboden rechtzetting (weerwoord) te plaatsen.

STANDPUNT VAN BETROKKENE

NRC stelt dat Scholten de gelegenheid is geboden om op alle kritiek te reageren, danwel deze te weerleggen. Hij weigerde veelal een inhoudelijke reactie te geven en volstond met een relativering van het kritische Prodec-rapport. Door hem aangehaalde rapporten die een gunstige beoordeling van de stichtingen zouden geven, wilde hij niet ter beschikking stellen.
De bewering dat de bestuursleden van de stichtingen geen gedegen inzicht in de boekhouding wordt gegund steunt, evenals het citaat over de geheimzinnigheid in financiële kwesties, op de tekst van het Prodec-rapport. Dat geen inzage aan subsidieverstrekkers wordt gegeven is niet door NRC gemeld. Ook de zinsnede over 'bijzondere privileges' is aan het voornoemde rapport ontleend.
Zowel Denemarken als Zweden hebben naar aanleiding van het rapport geen nieuwe subsidie verstrekt. Dat Finland en Noorwegen dat wel hebben gedaan is niet in strijd met hetgeen de krant heeft gemeld.
De zin die stelt dat er geen verband bestaat tussen Boesaks financiële malversaties en Scholten is juist toegevoegd om het beeld te vermijden dat Scholten daar iets mee te maken heeft.
De genoemde onkostenvergoeding voor leden van het dagelijks bestuur van Vluchtelingenwerk is een feitelijk juist gegeven. De suggestie van persoonlijke verrijking die Scholten in die vermelding ziet is door NRC nagestreefd noch vermeld.
Het Refugiado-project is wel degelijk omstreden, aldus NRC. Onder meer over de verwerving van subsidie en over de doorbetaling van gelden is kritiek geuit. Het project is overigens uitgesteld tot na juli 1999. Het woord 'manipulatie' is door NRC niet gebruikt en de feiten zijn zonder waardeoordeel beschreven. De correctie in NRC van 9 november 1998 betrof slechts een vergissing in een jaartal en deed aan de hoofdlijn van de beschreven gebeurtenissen niets af.
In het Prodec-rapport worden wel degelijk kritische kanttekeningen gezet bij de verwevenheid van AWEPA en AEI. Bovendien hebben ambtenaren van de betrokken Zweedse en Deense ministeries aan NRC uiteengezet dat het groeiend ongemak over die verwevenheid een van de redenen was om een evaluatieonderzoek te vragen.
Ook de passages over de geheimzinnigheid in financiële kwesties en het negatieve imago onder parlementariërs en sponsors zijn ontleend aan het Prodec-rapport. Scholten weigerde tijdens het interview vragen over de financiële gang van zaken te beantwoorden en voorbeelden te noemen van landen die AWEPA (opnieuw) subsidiëren. Volgens NRC zijn er nog steeds landen die AWEPA cs. niet subsidiëren.
Ten aanzien van het artikel van 21 november wijst NRC erop dat Scholten zelf tijdens het interview het resultaat van de EC-audit aanhaalde in reactie op het Prodec-rapport. Die audit bleek echter, in tegenstelling tot hetgeen Scholten zei, uiterst kritisch te zijn uitgepakt. Overigens zijn in de publicatie ook de voor Scholten gunstige feiten vermeld. De tekst van het artikel is vóór publicatie aan Scholten toegefaxt, maar hij wenste niet te reageren.
NRC bestrijdt ten slotte gemotiveerd dat in de publicatie van 7 december selectief zou zijn geciteerd. Maar zelfs al zou dat wel het geval zijn, dan behoort dat tot de vrijheid van een journalist, als de feiten maar kloppen.

NRC stelt niet verantwoordelijk te zijn voor publicaties in andere media. Uit een bericht in de Volkskrant blijkt dat die krant eigen bronnen heeft aangeboord om dezelfde feiten te achterhalen.
NRC beroept zich op eerdere uitspraken van de Raad waaruit zou blijken dat het niet onzorgvuldig is publicatie van een weerwoord te weigeren als dat geen nieuw licht werpt op het aangesneden onderwerp. Het door Scholten aangeboden weerwoord bevatte volgens NRC onjuist- en ongerijmdheden. Ook adresseerde Scholtens zijn kritiek veelal ten onrechte aan NRC. Om die reden was het stuk niet plaatsbaar. Scholten is de mogelijkheid geboden alsnog beknopt en ter zake te reageren. Daarvan heeft hij echter geen gebruik gemaakt.
Subsidiair stelt NRC niet verplicht te zijn een weerwoord te publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad gaat bij de beoordeling uit van de bronnen en documenten die op het moment van publicatie van de gewraakte artikelen reeds bekend waren en laat alle stukken die dateren van na 7 december 1998 buiten beschouwing.

In de artikelenreeks wordt een uiterst kritisch beeld geschetst van Scholten. Daarvoor zijn feiten aangedragen, afkomstig uit bronnen waarvan betrokkenen mochten aannemen dat zij betrouwbaar waren. Deze feiten en de uit de rapporten afkomstige citaten zijn in essentie niet onjuist. Onjuistheden van betekenis heeft de Raad althans niet kunnen vaststellen. Hoewel NRC met name de voor Scholten ongunstige conclusies uit de rapporten heeft geciteerd kan niet worden gezegd dat bepaalde feiten ten gunste van Scholten bewust zijn weggelaten.

NRC heeft Scholten in een interview geconfronteerd met de jegens hem bestaande kritiek. Uit de tekst van het interview blijkt dat Scholten heeft verkozen op bepaalde soms enigszins insinuerende vragen en beschuldigingen niet te reageren.
Op de publicatie van 7 november heeft Scholten gereageerd met een weerwoord. NRC heeft om haar moverende en naar het oordeel van de Raad acceptabele redenen publicatie van dit weerwoord afgewezen. Op het moment van ontvangst van dit weerwoord had NRC al een tweetal onjuistheden gerectificeerd, zij het dat dat niet op erg royale wijze was gebeurd. Met name de correctie van het jaartal werpt toch een heel ander licht op de beschuldiging van te late doorbetaling van gelden door AWEPA, nu die doorbetaling niet anderhalf jaar, maar vijf maanden na ontvangst bleek te hebben plaatsgevonden. Het had NRC gesierd indien dit in de rectificatie duidelijk was gemaakt.
Scholten heeft de mogelijkheid gekregen om alsnog beknopt en ter zake te reageren, maar daar heeft hij geen gebruik van gemaakt.

Het is duidelijk dat NRC Scholten niet heeft ontzien. Door de vooral uit het Prodec-rapport en de audit van de EU afkomstige feiten in een bepaalde context te plaatsen presenteert NRC, zoals al gezegd, een uiterst kritisch beeld van Scholten. Op zichzelf is dit niet ongeoorloofd. Voor zover Scholten in staat was om dat beeld ter gelegenheid van het interview of door middel van zijn weerwoord te ontkrachten heeft hij daar onvoldoende gebruik van gemaakt.

Het is mogelijk dat in andere media gebruik is gemaakt van of is voortgeborduurd op de publicaties in NRC. Daarvoor is NRC echter niet verantwoordelijk.

Alles overwegend komt de Raad tot het oordeel dat in dit geval geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 maart 2000 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. C.E.J.M. Joosten, mr. B.A. Schmitz en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 2000-25