2000/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G.A.M. Rombouts

tegen

M. Bezemer en de hoofdredacteur van het Amsterdams Stadsblad

Bij brieven van 30 oktober 1999 met acht bijlagen en van 9 november 1999 heeft G.A.M. Rombouts te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen M. Bezemer en de hoofdredacteur van het Amsterdams Stadsblad (betrokkenen). Hierop heeft M. Bezemer gereageerd in een brief met zes bijlagen van 1 december 1999 en D. Piet, hoofdredacteur, bij brief van diezelfde datum. Klager heeft zijn klacht aangevuld in een brief van 12 december 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 januari 2000 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 13 oktober 1999 is in het Amsterdams Stadsblad een artikel van de hand van Bezemer verschenen onder de kop "Aanvraag status dwarsboomt sloop Julianaziekenhuis". In dit artikel wordt over klager onder meer opgemerkt: "Maar buurtbewoner Guus Rombouts, die niet wist dat het gebouw verdwijnt, steekt op het laatste moment een spaak in het wiel. Vorige week heeft hij het Rijk gevraagd het gebouw op de monumentenlijst te zetten. Dat kan veel vertraging opleveren."
In een telefoongesprek op 20 oktober 1999 heeft klager aan Piet zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt. Klager heeft zijn bezwaren herhaald bij brief van 22 oktober 1999 en verzocht een bijgevoegd persbericht te publiceren.
Vervolgens is op 27 oktober 1999 in het Amsterdams Stadsblad een artikel van Bezemer gepubliceerd onder de kop "Bewoner zit 'Bilderdyk Staete' niet langer dwars". De eerste zin van het artikel luidt: "Bewoner G. Rombouts heeft zijn verzet tegen de sloop van het Julianaziekenhuis aan de Bilderdijkkade gestaakt."
Bij faxbericht van 27 oktober 1999 heeft klager zijn bezwaren tegen het tweede artikel uiteengezet en rectificatie verzocht. Dit verzoek heeft Piet in een telefoongesprek met klager afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat sprake is van subjectieve verslaggeving en dat Bezemer zich niet heeft gehouden aan het beginsel van hoor en wederhoor. Hij wijst er op dat de informatieavond voor omwonenden op 4 oktober 1999 plaatsvond en dat Bezemer zijn uitnodiging om na afloop met hem verder te praten heeft afgeslagen. In haar artikel over de informatieavond, dat op 6 oktober 1999 is gepubliceerd, heeft Bezemer volgens klager geen melding gemaakt van hetgeen hij op de informatieavond heeft opgemerkt. Pas nadat klager in een uitzending van AT5 bekend maakte dat hij tegen de sloop van het ziekenhuis was, is hieraan in het artikel van 13 oktober 1999 aandacht besteed, aldus klager. Hij stelt dat dit artikel onjuistheden bevat en dat Bezemer hem zonder nader contact en onjuist heeft geciteerd.
Voorts stelt klager dat hij in de artikelen twee keer is bestempeld als 'dwarsligger'. Volgens klager impliceert deze term dat hij heeft geprotesteerd om te protesteren, hetgeen beledigend en onjuist is. Klager betoogt dat hij derhalve in zijn goede naam en integriteit is aangetast.
Hij stelt verder dat hij op 14 oktober 1999, onder meer aan Bezemer, een persbericht heeft verstuurd waarin is vermeld dat hij zijn verzet tegen de sloop van het ziekenhuis opgeeft. Betrokkenen hebben, aldus klager, dit bericht ten onrechte niet terstond op 20 oktober 1999 gepubliceerd.
Naar aanleiding van het verweer van betrokkenen stelt klager dat hij zich niet kan herinneren dat Piet hem heeft gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk te reageren in de rubriek Meningen. Daarbij is klager van mening dat een bijdrage in een ingezonden brievenrubriek niet kan worden beschouwd als een weerwoord dat recht doet aan de benadeelde.

Bezemer stelt dat zij de afgelopen jaren diverse artikelen heeft geschreven over het voormalige Julianaziekenhuis. Het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg had behoud van het pand had afgewezen en de stadsdeelraad Oud-West stemde om die reden reeds in maart 1997 in met de sloop. Voorts stelt Bezemer dat zij ervoor heeft gekozen om in het artikel van 6 oktober 1999 klager niet te noemen. Nadat was gebleken dat het initiatief van klager effect had op de sloopplannen is, volgens Bezemer, het artikel van 13 oktober 1999 gepubliceerd. Zij stelt vervolgens dat zij per abuis het persbericht van klager eerst op 26 oktober 1999 heeft ontvangen en dat daarop het artikel van 27 oktober 1999 is geplaatst.
Piet voegt hieraan nog toe dat hij klager in het telefoongesprek van 20 oktober 1999 heeft gemeld dat hij schriftelijk kon reageren in de rubriek Meningen, maar dat klager van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens klager is hij ten onrechte als 'dwarsligger' aangeduid. De term 'dwarsligger' komt echter in de artikelen niet voor. In het artikel van 27 oktober 1999 wordt over klager opgemerkt dat hij "niet langer dwars zit". Het woord 'dwarszitten' betekent 'hinderen, tegenwerken', hetgeen bezien in de context niet als onjuist of beledigend kan worden aangemerkt.
Klager stelt verder dat de artikelen (nog meer) onjuistheden bevatten, dat hij onjuist is geciteerd en dat sprake is van subjectieve verslaggeving. Klager heeft die stellingen echter niet geconcretiseerd of nader toegelicht. Aangezien ook anderszins niet is gebleken dat deze stellingen juist zijn, kunnen zij niet leiden tot gegrondheid van de klacht.
Wat betreft de toepassing van hoor en wederhoor overweegt de Raad dat het artikel van 13 oktober 1999 een (gedeeltelijke) weergave bevat van hetgeen klager tijdens een openbare bijeenkomst heeft opgemerkt. Behoudens bijzondere omstandigheden behoeft in een dergelijk geval geen gelegenheid voor een weerwoord te worden geboden. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Het artikel van 27 oktober 1999 is bovendien geschreven naar aanleiding van het persbericht van klager. Alle omstandigheden in aanmerking genomen bestaat geen grond voor het oordeel dat betrokkenen grenzen hebben overschreden van hetgeen journalistiek toelaatbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Amsterdams Stadsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 maart 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mw. J.A. Koerts, mr. B.A. Schmitz en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-24