2000/23 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de eindredacteur van Zembla (NPS/VARA)

Bij brief van 19 oktober 1999, met als bijlage een video-opname van de gewraakte uitzending, heeft mr. S.T. Van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de eindredacteur van Zembla (betrokkene). Hierop heeft K.J.Al, eindredacteur, gereageerd in een brief van 11 november 1999. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname bekeken.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 januari 2000. Namens klager is daar mr. Van Berge Henegouwen verschenen. Betrokkene is verschenen, vergezeld van M. van Empel, bestuurssecretaris van de VARA, en heeft een nadere productie overgelegd.

DE FEITEN

Op 14 september 1999 is een Zembla-documentaire uitgezonden met de titel "De verdwenen meisjes". De documentaire handelt, mede naar aanleiding van de vervolging van klager en een medeverdachte, over Nigeriaanse meisjes die als minderjarige asielzoeker naar Nederland worden gehaald en in de prostitutie terechtkomen. Hun voornamen en de beginletters van hun achternamen worden in de uitzending genoemd. Verder wordt vermeld dat zij uit Nigeria afkomstig zijn en de Nederlandse nationaliteit bezitten. Van het requisitoir worden fragmenten in beeld gebracht. Daarbij zijn van klager en de medeverdachte gedeelten van het achterhoofd, rug en benen getoond en van een van hen de handen.
Aan het begin van de uitzending wordt in een voice-over over klager en de medeverdachte vermeld dat zij zijn "beschuldigd van handel in minderjarige Nigeriaanse asielzoeksters". Verder wordt onder meer opgemerkt "Het aantal Nigeriaanse meisjes, minderjarig of meerderjarig, dat rechtstreeks naar bordelen wordt gebracht, is totaal onbekend."
De uitzending bevat bovendien in Nigeria opgenomen beelden en beelden van een luchthaven, een opvangcentrum en de rosse buurt in Antwerpen. Aan het woord komen hulpverleners en politiefunctionarissen, medewerksters van de Immigratie- en naturalisatiedienst en Terre des Hommes, en een medewerker van de Nigeriaanse vereniging Nederland. Voorts vertelt een vrouw over haar ervaringen met een echtpaar dat meisjes in Nigeria ronselde.
Ten slotte wordt meegedeeld dat klager en de medeverdachte zijn veroordeeld "tot acht jaar gevangenisstraf wegens mensenroof, mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de uitzending draait om zijn strafzaak. Betrokkene heeft daarbij volgens hem de Officier van Justitie het standpunt laten innemen dat de vrouwen, die in deze strafzaak een rol speelden, minderjarig waren. Dit is echter niet juist, volgens klager. Hij stelt dat de Officier van Justitie dat standpunt expliciet heeft verlaten en dat in het vonnis niet is uitgegaan van de minderjarigheid van de vrouwen.
Voorts stelt klager dat betrokkene ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, waarbij hij er onder meer op wijst dat de programmamakers destijds voor het pleidooi van zijn raadsman de rechtszaal hebben verlaten.
Volgens klager heeft betrokkene het verder ten onrechte doen voorkomen alsof bepaalde geïnterviewde personen met zijn strafzaak te maken hebben gehad. Klager wijst in dit verband allereerst op het interview met een vrouw die verklaart wetenschap te hebben van vrouwenhandel van twaalf- en dertienjarige meisjes. Deze verklaring heeft volgens klager betrekking op een strafzaak met andere verdachten en andere slachtoffers. Verder wijst klager op het interview met een man die vertelt over minderjarige meisjes die afkomstig zijn van dorpjes in afgelegen gebieden. De vrouwen die zijn betrokken bij zijn strafzaak komen echter uit steden met meer dan een miljoen inwoners, aldus klager.
Hij stelt verder dat hij in strijd met gemaakte afspraken in beeld is gebracht. Volgens klager heeft de rechtbank alleen toestemming gegeven hem in beeld te brengen, indien hij daarmee zou instemmen, terwijl zijn raadsman aan de redactie van Zembla heeft laten weten dat klager daarvoor geen toestemming gaf.
Betrokkene heeft bovendien sensatie-elementen uit een andere strafzaak in de uitzending opgenomen, zonder het publiek er op te wijzen dat deze sensationele aspecten geen onderdeel uitmaakten van zijn strafzaak, aldus klager.
Voorts stelt hij dat Nederland een beperkte 'Nigeriaanse' gemeenschap kent, zodat betrokkene heeft kunnen voorzien dat hij herkend zou worden en door die gemeenschap in verband gebracht met gedragingen, waarvan zelfs justitie hem niet (meer) verdenkt.
Klager betoogt dat betrokkene derhalve op een onjuiste, onvolledige en niet objectieve wijze verslag heeft gedaan van zijn strafzaak. Zijn veroordeling biedt daarvoor geen rechtvaardiging, aldus klager, waarbij hij er nog op wijst dat hoger beroep is ingesteld. Een en ander heeft volgens klager tot gevolg dat zijn reputatie met name binnen de 'Nigeriaanse' gemeenschap schade heeft geleden en dat in het huis van bewaring anders tegen hem wordt aangekeken. Door de handelwijze van betrokkene is, aldus klager, zijn goede naam en eer aangetast.

Betrokkene stelt voorop dat de documentaire gaat over Nigeriaanse meisjes die via de Nederlandse asielprocedure voor minderjarigen in de prostitutie worden gebracht. In de uitzending zijn zoveel mogelijk aspecten van dit thema aan de orde gesteld, waarbij de strafzaak tegen klager slechts een van de onderdelen vormt, aldus betrokkene. Hij stelt dat een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen het algemene onderwerp en de strafzaak tegen klager.
Betrokkene ontkent dat hij de Officier van Justitie enig standpunt heeft laten innemen en stelt dat fragmenten van het requisitoir zijn getoond. Hij wijst er op dat de meisjes waarmee klager in verband is gebracht tegenover de Immigratie- en naturalisatiedienst hebben verklaard dat ze minderjarig zijn. Aangezien deze meisjes zijn 'verdwenen', konden zij geen getuigenis afleggen over hun werkelijke leeftijd, aldus betrokkene. Verder stelt hij dat in de slottekst van de uitzending is vermeld waartoe klager is veroordeeld en dat het woord "minderjarig" daarin niet voorkomt.
Wat betreft het ontbreken van wederhoor stelt betrokkene dat hij niet de intentie heeft gehad om het verloop van de strafzaak tegen klager in al zijn finesses te vertonen. Als klager zou zijn vrijgesproken was het, aldus betrokkene, wel relevant geweest om de verdediging aan het woord te laten.
Betrokkene stelt voorts dat ter zake van de interviews met de vrouw en de man, waarop klager heeft gewezen, geen enkel verband wordt gelegd met de strafzaak tegen klager. Hij wijst er op dat de vrouw spreekt over een echtpaar, waarvan de man Nederlands is en de vrouw Nigeriaans. De man vertelt volgens betrokkene slechts iets over de slechte sociale en economische omstandigheden in Nigeria.
Klager is niet herkenbaar in beeld gebracht, aldus betrokkene. Hij stelt dat wat van hem te zien is, niet kan worden beschouwd als 'in beeld brengen'. Voor het tonen van de benen is, volgens betrokkene, toestemming verkregen. Hij wijst er op dat klager en de medeverdachte niet te horen zijn, dat zij alleen zijn aangeduid met hun voornaam - zoals ook in de persberichten en kranten het geval was - en dat woonplaats, leeftijd en andere persoonlijke gegevens niet zijn vermeld.
Wat betreft de sensatie-elementen stelt betrokkene dat de beelden van de rosse buurt in Antwerpen relevant zijn voor de documentaire. In die buurt werken veel Nigeriaanse meisjes afkomstig uit Nederlandse asielzoekerscentra, aldus betrokkene. Hij stelt dat deze beelden in het begin van de uitzending zijn gecombineerd met het verhaal van het zogenaamde Eindhovense 'pyjama team', dat op zoek is gegaan naar uit asielzoekerscentra verdwenen meisjes.
Betrokkene wijst nog op het ANP nieuwsbericht van 20 juli 1999 over de strafzaak tegen klager, dat hij als productie heeft overgelegd en waarin de redenen zijn opgenomen waarom klager tot een gevangenisstraf van acht jaar is veroordeeld.
Volgens betrokkene is de documentaire op een zeer zorgvuldige en integere wijze tot stand is gekomen, zijn er geen afspraken geschonden en bevat de uitzending geen onjuistheden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Uit de documentaire blijkt dat het onderwerp de handel in Nigeriaanse meisjes in het algemeen betreft en niet de strafzaak tegen klager in het bijzonder. Alhoewel deze strafzaak wellicht als kapstok is gebruikt om de overige onderdelen van de documentaire aan op te hangen, bestaat hiertussen duidelijk onderscheid. Alle onderdelen in hun onderlinge samenhang beschouwd, is de Raad van mening dat betrokkene niet op een onevenwichtige wijze aandacht heeft besteed aan het onderwerp van de documentaire.
Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat sprake is van feitelijk onjuiste, eenzijdige of onvolledige berichtgeving. In dat verband overweegt de Raad dat het in de uitzending veel voorkomende woord 'meisjes' niet wordt gebruikt uitsluitend ter aanduiding van minderjarigen.
Wat betreft het ontbreken van wederhoor overweegt de Raad dat bij het tonen van fragmenten van de strafzaak tegen klager sprake is van rechtbankverslaggeving. Hierbij is het bieden van gelegenheid voor het geven van weerwoord, behoudens bijzondere omstandigheden, niet geboden. Van bijzondere omstandigheden die daartoe in dit geval wel nopen, is niet gebleken.
Klager is slechts zeer beperkt en onherkenbaar in beeld gebracht. De wijze waarop klager voorts is aangeduid - vermelding van voornaam, beginletter van zijn achternaam, land van afkomst en nationaliteit - leidt evenmin tot algemene herkenbaarheid. Een dergelijke aanduiding is in het kader van rechtbankverslaggeving niet ongebruikelijk en niet ontoelaatbaar. Voor zover klager in kleine kring wel herkend zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat dit louter het gevolg is van de wijze waarop hij in beeld is gebracht en aangeduid. De stellingen van klager bieden derhalve onvoldoende grond voor de conclusie dat betrokkene grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Zembla.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 maart 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter,
prof. mr. W.D.H. Asser, mw. J.A. Koerts, mr. B.A. Schmitz en drs. P. Sijpersma, leden,
in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-23