2000/22 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

K.P. Langendoen

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 2 november 1999 met een bijlage heeft K.P. Langendoen te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene). Hierop heeft K.H.M. Lunshof, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in brieven van 10 december 1999 en van 23 december 1999 met zeven bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 januari 2000 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Betrokkene is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 5 juni 1999 is in de Telegraaf een artikel van de hand van A. van den Bos verschenen onder de kop "Kennemerland sjoemelt nog steeds met drugs". Het artikel bevat onder meer de volgende passage: "Volgens welingelichte bronnen beschikt de commissie over aanwijzingen dat Nederlandse undercover-agenten partijen wiet en cocaïne uit Colombia hebben laten komen. De wiet werd uiteindelijk op geoorloofde wijze in Nederland ingevoerd en verkocht aan criminelen, die vervolgens konden worden opgepakt. Delen van de partijen cocaïne zijn echter spoorloos. De commissie vermoedt dat overheidsfunctionarissen, zoals douanebeambten, deze hebben doorverkocht en de opbrengst in eigen zak hebben gestoken. Politiefunctionarissen van de regio Kennemerland zouden van deze strafbare activiteiten op de hoogte zijn en zelfs in de winst delen. Van Traa ontmaskerde destijds het 'koningskoppel' Van Vondel en Langendoen van de politieregio Kennemerland bij dezelfde praktijken."

Nadien heeft klager diverse malen contact gehad met Van den Bos. Bij brief van 6 december 1999 heeft betrokkene aan de Raad meegedeeld, dat tussen Van den Bos en klager een gesprek zou plaatsvinden. In dit gesprek, dat plaatsvond op 7 december 1999, heeft Van den Bos aan klager aangeboden om een pagina groot interview met hem te publiceren, onder de voorwaarde dat hij zijn klacht zou intrekken. In een brief van 15 december 1999 heeft klager aan de Raad bericht dat het gesprek met Van den Bos niet tot een bevredigende afwikkeling heeft geleid en dat hij zijn klacht handhaaft.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel ten onrechte wordt beweerd dat hij is ontmaskerd als iemand die sjoemelde met drugs, delen van partijen cocaïne doorverkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak stak. Deze feiten komen, aldus klager, niet voor in het rapport van de commissie Van Traa en de commissie verdacht hem er ook niet van te hebben gehandeld op de wijze, als in het artikel wordt gesuggereerd.
Voorts stelt klager dat Van den Bos in het gesprek van 7 december 1999 heeft erkend dat fouten zijn gemaakt bij de opstelling en het plaatsen van het artikel. Van den Bos heeft in dat gesprek tevens toegegeven dat zij onvoldoende moeite heeft gedaan om wederhoor toe te passen, aldus klager.
Volgens klager wordt hij door de publicatie van deze onjuiste en voor hem zeer kwalijke en schadelijke beschuldigingen in zijn eer en goede naam aangerand. Bovendien ondervindt hij bij de opstart van zijn bedrijf zeer ernstige hinder en schade van het artikel, aldus klager.
Desgevraagd heeft hij ter zitting nog meegedeeld, dat hij het aanbod tot het publiceren van een interview heeft afgewezen, omdat betrokkene deze kwestie had kunnen voorkomen door hoor en wederhoor toe te passen. Klager wijst er op, dat het aanbod pas is gedaan, na de indiening van de klacht.

Betrokkene stelt dat klager door de commissie van Traa in het eindrapport is aangemerkt als een van de bedenkers van de omstreden methode om drugs zonder toestemming van justitie Nederland binnen te smokkelen, waarbij geen verantwoording werd afgelegd over de financiële achtergronden van dergelijke deals. Hierop wordt gedoeld in de door klager gewraakte passage van het artikel, aldus betrokkene. Volgens hem is de strekking van deze passage niet onjuist. Betrokkene wijst in dit verband op een aantal passages uit de rapportages van de commissie Van Traa en het zogeheten Fort-Team van de rijksrecherche betreffende een onderzoek naar het functioneren van de Regionale Criminele Inlichtingendienst van de politie Kennemerland.
Ten slotte stelt betrokkene dat hij klager middels een interview in de gelegenheid heeft gesteld zijn verhaal te doen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel is vermeld dat de commissie van Traa klager heeft ontmaskerd bij 'dezelfde' praktijken. Met 'dezelfde' wordt verwezen naar de handelingen die zijn omschreven in de passage "Volgens welingelichte bronnen (...) opbrengst in eigen zak hebben gestoken." De formulering in het artikel wijst niet naar nieuw, bij betrokkene of diens welingelichte kringen bekend, onderzoeksmateriaal, maar alleen naar de bevindingen van de commissie Van Traa. Hiermee wordt gesuggereerd dat de commissie heeft vastgesteld dat klager sjoemelde met drugs, delen van partijen cocaïne doorverkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak stak. Betrokkene staaft echter deze suggestie noch met de passages van de rapportages, die door hem zijn overgelegd, noch anderszins.
Het aanbod om een interview met klager te publiceren, een half jaar na publicatie van het artikel en bovendien na indiening van de klacht, komt naar het oordeel van de Raad te laat om nog zinvol te zijn, daargelaten of dat aanbod - indien tijdig gedaan - als genoegdoening had kunnen dienen.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 maart 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mw. J.A. Koerts, mr. B.A. Schmitz en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-22