2000/2 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klachten van

Stichting Platform Mondiaal Kleurrijk Voetbal "2000"

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
de hoofdredacteur van De Gelderlander
de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

Bij brief van 17 mei 1999 met drie bijlagen hebben R.R. de Miranda, voorzitter, en S. Hasnoe, vice-voorzitter, namens Stichting Platform Mondiaal Kleurrijk Voetbal "2000" (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteuren van het Brabants Dagblad, het Utrechts Nieuwsblad en Trouw. Klaagster heeft haar klacht vervolgens nader toegelicht bij brief van 16 juni 1999 met een bijlage. Op 29 juni 1999 heeft klaagster daaraan nog een bijlage toegevoegd.

In een brief van 1 juli 1999 heeft F. van Exter, hoofdredacteur van Trouw, op de klacht gereageerd. Hierop heeft klaagster per e-mail van 13 juli 1999 een nadere reactie gestuurd.
Bij brief van 8 juli 1999 met een bijlage heeft B. Brummelhuis, lid van de hoofdredactie van het Brabants Dagblad, op de klacht gereageerd.
A. Kalmann, adjunct-hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, heeft in een schrijven van 15 juli 1999 op de klacht gereageerd.

Klaagster heeft bij brief van 16 juli 1999 met twee bijlagen in haar klacht mede betrokken de hoofdredacteur van De Gelderlander. Hierop heeft U.D. Jonker, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 25 augustus 1999, waarna klaagster bij brief van 2 september 1999 haar klacht nog nader heeft toegelicht.

Op grond van de e-mail van 21 oktober 1999 van klaagster, waarin zij meedeelt niet ter zitting te zullen verschijnen, maar de klachten tegen het Brabants Dagblad, De Gelderlander en het Utrechts Nieuwsblad te handhaven, beschouwt de Raad de klacht tegen de hoofdredacteur van Trouw als ingetrokken.

De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 1999.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 7 juni 1989 is in Suriname een vliegtuig neergestort waarin zich onder andere een groep Surinaamse voetballers bevond. Deze groep stond onder auspiciën van de Stichting Kleurrijk Voetbal, die sinds 1986 voetbalwedstrijden organiseert in het kader van het "Kleurrijk Elftal". Klaagster, die een voortzetting is van deze stichting, organiseert periodiek wedstrijden ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het Kleurrijk Elftal. Een van spelers die de ramp hebben overleefd, R. de Haan, is bestuurslid van klaagster.
In 1996 is de Stichting Kleurrijk 7 juni opgericht. Deze stichting heeft tot doel het rouwverwerkingsproces van overlevenden en nabestaanden van slachtoffers van de vliegtuigramp te begeleiden en de herinnering aan de slachtoffers levendig te houden. R. Nandlal, overlevende van de ramp en voormalig speler van Vitesse, is bestuurslid van deze stichting.
Dit jaar hebben zowel klaagster als de Stichting Kleurrijk 7 juni herdenkingswedstrijden georganiseerd. Zulks heeft geleid tot een conflict tussen beide stichtingen, waaraan veel aandacht is besteed in de media.

In het Brabants Dagblad is op 15 mei 1999 een artikel verschenen onder de kop "'Over rug van lijken geld verdienen'''. In dit artikel wordt R. Nandlal onder meer geciteerd als volgt: "Die stichting (klaagster) bestaat uit Roy Miranda en Sonny Hasnoe. De een komt voor de belangen van Desi Bouterse op en de ander is een malloot, die alleen uit is op poen. Eigenlijk zijn het gewoon twee boeven, die over de rug van lijken geld willen verdienen. Ze hebben ook helemaal geen bintenis met de vliegramp. Ze zijn geen nabestaanden of slachtoffers en hebben nog nooit een herdenkingsdienst bijgewoond."
Dit citaat is vrijwel letterlijk ook opgenomen in een artikel onder de kop "Rel dreigt rond benefietduels Kleurrijk Elftal", dat op 15 mei 1999 is verschenen in De Gelderlander.
Het Utrechts Nieuwsblad publiceerde op 17 mei 1999 een artikel onder de kop "Nandlall boos én verdrietig". In dit artikel zegt R. Nandlal over het door klaagster georganiseerde herdenkingstoernooi onder meer: "Georganiseerd door mensen die niets met de vliegramp te maken hebben. En die vooral op eigen voordeel uit zijn."
Bij brief van 21 mei 1999 heeft het Brabants Dagblad klaagster aangeboden haar alsnog in de krant over de zaak aan het woord te laten. Klaagster is niet op dat aanbod ingegaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de in de gewraakte artikelen opgenomen uitlatingen van R. Nandlal onjuistheden bevatten en uitermate grievend zijn. In geen van de gevallen is klaagster gevraagd om op deze uitlatingen te reageren. Door geen hoor en wederhoor toe te passen hebben betrokkenen jegens haar onzorgvuldig gehandeld. Hieraan kan niet afdoen dat achteraf de mogelijkheid tot wederhoor is geboden, aangezien het kwaad al was geschied, aldus klaagster.

Betrokkenen erkennen dat ten onrechte geen wederhoor heeft plaatsgevonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het zou op de weg van klaagster, die immers stelt nadeel te hebben ondervonden van de gewraakte publicaties, hebben gelegen ook harerzijds mee te werken aan de beperking van dat nadeel. De mogelijkheid daartoe is haar binnen een week na 15 mei 1999 geboden door het Brabants Dagblad, maar klaagster heeft het aanbod om de uitlatingen van Nandlal alsnog in de krant te weerspreken niet benut.
Dat neemt echter de gegrondheid van de klachten niet weg: wederhoor, waarvoor ook naar de opvatting van betrokkenen in dit geval, waar de reputatie van klaagster in het geding was, aanleiding bestond, behoort vanzelfsprekend terstond en niet eerst achteraf te worden toegepast. Onder bijzondere omstandigheden zijn uitzonderingen op die regel denkbaar, maar van bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.

BESLISSING

De Raad acht de klachten gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad, Utrechts Nieuwsblad en De Gelderlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 januari 2000 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, mw. J.A. Koerts, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-02