2000/16 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Haagsche Courant

Bij brief van 6 september 1999 met 1 bijlage heeft X een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Haagsche Courant (betrokkene). Hierop heeft D.M.W. Toet, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 24 september 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 1999 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Betrokkene is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 24 augustus 1999 is in de Haagsche Courant een artikel verschenen onder de kop "Geen volledige inzage BVD-dossier". In het artikel, waarin verslag wordt gedaan van een door klager bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State gevoerde procedure, zijn de volledige achternaam en de woonplaats van klager opgenomen. Bovendien is de nationaliteit van de echtgenote van klager vermeld. Het artikel bevat voorts de zinsnede "... en jaagt vooral op gegevens die kunnen aantonen dat hij in het verleden is gedwarsboomd bij sollicitaties."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat door de vermelding van zijn naam, woonplaats, gezinssituatie en beroepsleven zijn privacy is geschonden. Als gevolg daarvan ligt er een smet op zijn persoon die hem zowel in zijn professionele leven als in zijn privé leven schaadt. Hij vermeldt dat hij kort na de publicatie op zijn werk uitleg over deze kwestie diende te verstrekken. Daarnaast heeft klager, naar hij stelt, publieke functies waarbij hij in contact komt met topondernemers en politici uit zijn woonomgeving. Bij deze contacten moet hij vaak onderhandelen, waarbij wederzijds respect en vertrouwen een grote rol spelen. Zijn geloofwaardigheid is door de publicatie beschadigd, aldus klager.
Klager betoogt dat gezien de context van de kwestie - beschadiging in beroepsmatige activiteiten - en de betrokken dienst (BVD) niet kan worden gesteld dat in dergelijke kwesties de betrokken burger in het algemeen geen problemen ondervindt van naamsbekendheid. Daarbij komt dat betrokkene eenvoudig bij hem had kunnen informeren of hij bezwaar had tegen de vermelding van zijn persoonlijke gegevens.
Hij wijst er nog op dat van criminelen slechts de initialen worden vermeld en stelt ten slotte dat met de vermelding van zijn persoonlijke gegevens geen journalistiek doel is gediend.

Betrokkene stelt dat klager nooit eerder heeft laten blijken geen prijs te stellen op publiciteit rond de door hem gevoerde procedure. Voorts wijst betrokkene er op dat de uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State openbaar zijn en dat de uitspraak in deze zaak ter inzage was gelegd. In dergelijke gevallen hoeft geen toestemming te worden verkregen om een naam te mogen publiceren, aldus betrokkene. Klager is geen verdachte, hij wordt niet in een negatief daglicht gesteld en zijn strijd heeft zelfs een heroïsch tintje. Betrokkene stelt verder dat de eventuele schade van klager niet opweegt tegen het belang van de publicatie. Het door hem gevoerde prudente beleid inzake privacybescherming is, volgens betrokkene, in dit geval niet overschreden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Bij de verslaglegging van rechtszaken bestaat in het algemeen geen bezwaar tegen het publiceren van de namen van partijen als het gaat om civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedures. Onder bijzondere omstandigheden kan echter reden bestaan om een uitzondering op deze regel te maken. De journalist zal dan een afweging moeten maken, ook als sprake is van een openbare niet-geanonimiseerde uitspraak.
Niet valt in te zien welk journalistiek belang was gediend met de publicatie van de persoonlijke gegevens van klager. Daar staat tegenover dat over klager een BVD-dossier bestaat, hetgeen als diffamerend kan worden ervaren. Klager heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van de publicatie schade heeft geleden.
Gezien alle omstandigheden is de Raad van oordeel dat betrokkene, door de persoonlijke gegevens van klager zonder voorafgaande toestemming te publiceren, heeft gehandeld in strijd met hetgeen journalistiek aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Haagsche Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 februari 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en mr. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-16