2000/15 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Minister van Justitie

tegen

de hoofdredacteur van NOVA (NPS/VARA Televisie)

Bij brief van 27 augustus 1999 heeft P.F.M. Jägers, Hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen, namens de Minister van Justitie (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NOVA (betrokkene). Hierop heeft G. Dielessen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 13 oktober 1999. Op verzoek heeft betrokkene op 24 november 1999 een video-opname van de gewraakte uitzending aan de Raad doen toekomen. De Raad heeft deze video-opname bekeken.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 november 1999. Namens klager zijn daar verschenen J.A.M. de Jong, juridisch beleidsmedewerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, I. Hommes, persvoorlichter bij de Directie Voorlichting van het Ministerie van Justitie, en P.A.W. Scheffelaar Klots, Algemeen Directeur van de Penitentiaire Inrichtingen Oosterhoek. Zij hebben een nadere reactie met tien producties overgelegd.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, is namens klager als verschenen partij desgevraagd meegedeeld dat er geen overwegende bezwaren bestaan tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

Betrokkene is niet verschenen, doch heeft - op verzoek van de Raad - bij brief van 14 december 1999 gereageerd op de nadere reactie van klager.

DE FEITEN

Op 17 juli 1999 is in een uitzending van het programma NOVA aandacht besteed aan vermeende misstanden in de dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen. Voorafgaand aan deze uitzending hebben de NOVA-journalisten H. Nietsch, L. Ragut en A. Tak op 15 juni en 25 juni 1999 de gedetineerde Van T. bezocht in de Penitentiaire Inrichtingen Oosterhoek. Van T. is voormalig patiënt van de Van Mesdagkliniek.
In de door klager overgelegde bezoekerslijsten staan de NOVA-journalisten vermeld als familiebezoek. Zij hebben zich blijkens deze lijsten gelegitimeerd met respectievelijk een rijbewijs, postidentiteitsbewijs en paspoort. Ook in het bezoekersregister staan de journalisten als familie van Van T. geregistreerd. Volgens verklaringen van de op 15 juni en 25 juni 1999 dienstdoende portiers hebben zich op die dagen geen bezoekers als journalisten bekend gemaakt.
Op 29 juni 1999 hebben Ragut en Tak officieel aan de directie van de P.I. Oosterhoek verzocht om Van T. te interviewen. Bij faxbericht van 8 juli 1999 heeft Scheffelaar Klots dit verzoek gemotiveerd afgewezen onder toezending van de Circulaire Contacten tussen gedetineerden en media. Het slot van de brief luidt: "Tenslotte verzoek ik u om ook niet anderszins (bijvoorbeeld per telefoon) een interview met de gedetineerde Van T. af te nemen en uit te zenden."
In hun reactie van diezelfde dag berichten Nietsch en Tak onder meer dat zij nu gedwongen zijn om andere wegen te bewandelen om het verhaal-Van T. toch 'publiek te maken'.
In de uitzending is door Van T. verstrekte informatie, over de wijze waarop hij een aantal jaren geleden uit de Van Mesdagkliniek is ontsnapt, in een voice-over tekst vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het bezwaar van klager richt zich tegen het feit dat voornoemde NOVA-journalisten zich, voorafgaand aan hun gesprekken met Van T., niet als journalist bekend hebben gemaakt. Zij hebben, aldus klager, de P.I. Oosterhoek misleid, ten gevolge waarvan zij informatie hebben verkregen, die zij niet zou hebben ontvangen, indien zij hun hoedanigheid bekend hadden gemaakt.
Klager wijst er nog op dat het OM een onderzoek heeft verricht naar de vermeende misstanden in de Van Mesdagkliniek. Dit onderzoek is in juli 1999 afgerond. De gevolgde beleidslijn was, aldus klager, dat er geen contacten zouden zijn met journalisten zolang het onderzoek nog niet was afgerond.

Betrokkene betoogt dat redacteuren van NOVA altijd hun identiteit als journalist kenbaar maken indien daar naar wordt gevraagd. Slechts bij hoge uitzondering - indien het maatschappelijk belang daarom vraagt - geeft betrokkene toestemming om van deze regel af te wijken. Dit laatste was in het onderhavige geval niet aan de orde, aldus betrokkene.
Betrokkene erkent dat de betreffende NOVA-journalisten zich in het onderhavige geval bij de P.I. Oosterhoek als journalist bekend hadden moeten maken. Hij betreurt de gang van zaken ten zeerste, waarbij hij opmerkt dat het niet de bedoeling is geweest om de zaak te misleiden. Intern zijn afspraken gemaakt om te voorkomen dat dergelijke misverstanden in de toekomst ontstaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een journalist degene over wie hij publiceert met 'open vizier' tegemoet behoort te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem vooraf bekend moet maken. Deze regel geldt te meer indien niet nadrukkelijk naar de identiteit wordt gevraagd, zulks teneinde misleiding ten aanzien van die identiteit te voorkomen.
Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Van dergelijke omstandigheden is, zoals betrokkene ook heeft erkend, in het onderhavige geval geen sprake.
Gezien hetgeen partijen naar voren hebben gebracht kan worden vastgesteld dat de betreffende NOVA-journalisten de hierboven omschreven regel hebben geschonden en derhalve hebben gehandeld in strijd met hetgeen journalistiek toelaatbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma NOVA.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 februari 2000 door mr. W.D.H. Asser, als voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mw. C.E.J.M. Joosten en mr. B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-15