2000/13 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

O.C.W. van der Veen

tegen

B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 16 juli 1999 met zes bijlagen heeft O.C.W. van der Veen (klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (betrokkenen). Hierop heeft Middelburg gereageerd in een brief van 2 september 1999. Van der Veen heeft zijn klacht nader toegelicht in een brief van 15 september 1999.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 november 1999. Klager is verschenen. Aan de zijde van betrokkenen zijn Middelburg en F. Campagne, adjunct-hoofdredacteur, verschenen. Ter zitting heeft Middelburg een notitie overgelegd en drie producties ter inzage overhandigd.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 11 juni 1999 is in Het Parool een artikel van de hand van Middelburg verschenen onder de kop "IRT-officier drong aan op vrijlating Delta-topman". De intro van het artikel luidt: "Voormalig IRT-officier van justitie O. van der Veen heeft er midden 1995 bij het parket in Amsterdam op aangedrongen dat Mink Kok, een van de sleutelfiguren in de criminele Delta-groep waarop het IRT jaren jacht had gemaakt, zou worden vrijgelaten en niet verder vervolgd." Het artikel bevat voorts de voor de klacht relevante passage "Van der Veen, nu officier in Den Haag, wil eveneens niet op de zaak ingaan."
Bij brief van 13 juni 1999 heeft klager aan de hoofdredacteur van Het Parool zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt en voorgesteld om te bezien of partijen in onderling overleg tot een oplossing konden komen. Hierop heeft M. van Nieuwkerk, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 15 juni 1999 en aan klager voorgesteld dat deze zijn lezing van de kwestie uiteenzet op de opiniepagina van Het Parool. In een brief van 23 juni 1999 heeft klager dit aanbod afgewezen en zijn eerder gedane voorstel herhaald. Bij brief van 28 juni 1999 heeft Van Nieuwkerk aan klager meegedeeld nog steeds bereid te zijn klagers commentaar te publiceren. Hierop heeft klager in een brief van 16 juli 1999 aan Van Nieuwkerk bericht, dat partijen niet tot een minnelijke oplossing konden geraken en daarbij een afschrift van zijn klaagschrift gevoegd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat betrokkenen de suggestie hebben gewekt dat aan hem om commentaar is gevraagd en dat hij niet bereid was dit te geven. Dit is echter onjuist.
Wat betreft de gang van zaken rond het verstrekken van telefonisch commentaar betoogt klager, dat indien een journalist opbelt en vraagt naar een zaaksofficier - de officier van justitie die een bepaalde zaak in behandeling heeft (gehad) - de journalist volgens interne instructies wordt doorverbonden met de secretaresse van die zaaksofficier. Indien naar klager wordt gevraagd overlegt zijn secretaresse met hem of hij de journalist wil spreken dan wel dat de journalist moet worden doorverbonden met de secretaresse van de persofficier van justitie. Klager wenst journalisten die bellen in verband met de IRT-affaire altijd zelf te woord te staan, hetgeen aan zijn secretaresse bekend is.
Klager stelt dat hij gedurende de middag van 10 juni 1999 op kantoor aanwezig en bereikbaar was, onder meer omdat hij beschikbaar moest zijn voor een collega. Klager is die middag niet door Middelburg gebeld. Bovendien heeft een verzoek om Middelburg terug te bellen klager nooit bereikt. Indien hij Middelburg zou hebben gesproken dan zou hij zeker een inhoudelijke reactie hebben gegeven, aldus klager. Klager wijst er op dat hij, naar aanleiding van het gewraakte artikel, door een journalist van het NRC/Handelsblad is benaderd aan wie hij inhoudelijk commentaar heeft verstrekt.
Bij navraag is aan klager gebleken dat Middelburg op 10 juni 1999 niet heeft gesproken met zijn secretaresse maar met die van de persofficier van justitie, die deel uitmaakt van een andere unit. Journalisten die aan deze persofficier om commentaar vragen over de IRT-affaire worden conform de instructie van het College van Procureurs-generaal - van welke instructie klager eerst vernam na aanvang van het onderhavige geschil - doorverwezen naar de afdeling Voorlichting van dit college. Dit heeft de persofficier ook gedaan toen zij Middelburg op 11 juni 1999 sprak. Middelburg heeft de afdeling Voorlichting echter niet benaderd.
Samenvattend stelt klager dat betrokkenen het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden door hem niet om commentaar te vragen. Bovendien hebben betrokkenen nagelaten de gepubliceerde informatie te verifiëren bij de afdeling Voorlichting van het College van Procureurs-generaal. Aldus hebben betrokkenen laakbaar gehandeld, hetgeen te meer klemt nu de inhoud van het artikel onjuist is.

Betrokkenen stellen dat redelijkerwijs alles in het werk is gesteld om hoor en wederhoor toe te passen. Volgens Middelburg heeft hij in de middag van 10 juni 1999 meerdere keren gebeld met het parket in Den Haag. Hij heeft toen wel degelijk gesproken met (iemand die fungeerde als) de secretaresse van klager, aan wie hij heeft verzocht klager te vragen hem terug te bellen. Vervolgens heeft hij 's avonds de piketofficier gesproken, die hem doorverwees naar de persofficier die hij diezelfde avond tevergeefs heeft geprobeerd te bereiken. In het gesprek van 11 juni 1999 met de persofficier heeft deze aan Middelburg laten weten, dat hij geen commentaar van klager kon verkrijgen en dat de volledige voorlichting over het IRT werd gedaan door de afdeling Voorlichting van het College van Procureurs-generaal, zonder dat zij daarbij vermelde dat deze doorverwijzing een instructie van voornoemd college betrof.
Volgens betrokkenen was er derhalve duidelijk sprake van onwil om een inhoudelijke reactie te geven en van een behoefte om alle publiciteit rond deze kwestie te dempen. Zij stellen dat niet kan worden volgehouden dat klager bereid zou zijn geweest om commentaar te geven indien Middelburg hem zou hebben gesproken en dat de mededeling dat klager niet op de zaak in wilde gaan in strijd zou zijn met de waarheid. Betrokkenen benadrukken in dit verband, dat klager geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn commentaar alsnog te publiceren op de opiniepagina. Wat betreft het feit dat Middelburg geen contact heeft opgenomen met de afdeling Voorlichting, waarnaar hij door de persofficier was doorverwezen, merken betrokkenen nog op dat de medewerkers van deze afdeling niets uit eigen wetenschap konden verklaren over de handelwijze van klager in de zaak van Mink Kok. Van deze afdeling konden zij dan ook geen inhoudelijke reactie verwachten, aldus betrokkenen.
Betrokkenen wijzen er nog op dat de in het gewraakte artikel weergegeven informatie door bronnen bij politie en justitie is bevestigd en dat het artikel niet lichtvaardig is gepubliceerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Gezien de ernstige beschuldigingen aan het adres van klager, die in het artikel zijn geuit, was toepassing van hoor en wederhoor in dit geval geboden. Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, acht de Raad het niet aannemelijk dat klager niet inhoudelijk heeft willen reageren, zoals in het artikel is vermeld. Het feit dat klager geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om na publicatie alsnog zijn weerwoord te publiceren kan daaraan niets afdoen.
De Raad is voorts van oordeel dat indien ernstige beschuldigingen worden geuit, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de betreffende kwestie grondig wordt uitgezocht, alvorens tot publicatie wordt overgegaan. In het onderhavige geval is van belang dat de persofficier aan Middelburg heeft meegedeeld, dat hij zich voor informatie diende te wenden tot de afdeling Voorlichting van het College van Procureurs-generaal. Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat navraag bij deze afdeling niet zinvol zou zijn geweest. Echter, de enkele veronderstelling dat van deze afdeling geen relevante informatie te verwachten was, rechtvaardigt in dit geval niet dat betrokkenen geen poging hebben ondernomen om van deze afdeling informatie te verkrijgen c.q. reeds bekende informatie bij deze afdeling te verifiëren.
Bovendien hadden betrokkenen naar het oordeel van de Raad, gelet op de inhoud van het artikel, de publicatie kunnen uitstellen teneinde meer pogingen tot hoor en wederhoor te ondernemen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de Raad derhalve tot de conclusie dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van hetgeen journalistiek aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 februari 2000 door mr. W.D.H. Asser, als voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mw. C.E.J.M. Joosten en mr. B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2000-13