2000/12 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R. Schoot

tegen

de hoofdredacteur van HP/De Tijd

Bij brief van 20 september 1999 met negen bijlagen heeft R. Schoot (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van HP/De Tijd (betrokkene). Hierop heeft B. Vuijsje, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 28 september 1999.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 november 1999 in aanwezig van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager als verschenen partij desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 2 juli 1999 is in HP/De Tijd van de hand van R. Verwer een artikel verschenen onder de titel "Het Zwagerlevengevoel". Dit artikel bevat de passage: "Jules Deelder heeft nooit moeite gehad met geld verdienen. (...) En sinds een paar jaar horen we op de radio: "Belt er zo'n krotekoker van een reclamebureau, of ik reclame wil maken voor een jenevermerk. Dus ik zeg tegen die gozer: wat schuift het? Twintig ruggen, zegt-ie. Legner Lekker! Legner Lekker!" Vanaf ƒ 20.000 is Deelder in te huren."
Bij brief van 8 juli 1999, gericht aan Verwer, schrijft klager het volgende: "In uw artikel 'Het Zwagerlevengevoel' (HP/De Tijd 2 juli) laat Jules Deelder zich graag door u ten tonele voeren als de copywriter van de radio-commercials voor Legner Lichte Borrel. Maar ik weet heel, heel, héél erg zeker dat hij de betreffende spotjes niet zelf heeft geschreven. Een goed verstaander enz." Deze brief is gepubliceerd in HP/De Tijd van 16 juli 1999, waarbij "uw artikel 'Het Zwagerlevengevoel'" is geschrapt en "door u" is vervangen door "door Renzo Verwer".
Als reactie hierop is in HP/De Tijd van 30 juli 1999 een ingezonden brief van Verwer verschenen. Het slot van deze brief luidt: "Ook in het reclamevakblad Adformatie heeft Schoots vorig jaar al overspannen gereageerd op de bewering van Deelder dat Legner dankzij hem zo'n grote omzetstijging had bereikt. Als Hagenaar Schoots zich aan de bravoure van Rotterdammer Deelder ergert, is dat prima, maar laat hij wel lezen wat er staat."
Klager heeft vervolgens bij brief van diezelfde dag aan de redactie van HP/De Tijd verzocht een daarbij gevoegde brief te publiceren. Klager heeft zijn verzoek herhaald in een brief van 16 augustus 1999, waarna betrokkene dit heeft afgewezen bij brief van 17 augustus 1999. In zijn brief van 25 augustus 1999 maakt klager zijn bezwaren tegen de handelwijze van betrokkene kenbaar en verzoekt hij wederom zijn ingezonden brief te plaatsen. Bij brief van 26 augustus 1999 heeft betrokkene dit verzoek opnieuw afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat zijn klacht niet zozeer betrekking heeft op het artikel dat op 2 juli 1999 in HP/De Tijd is verschenen. Weliswaar wordt in dit artikel ten onrechte de suggestie gewekt dat de radio-commercial voor Legner alleen door Deelder zou zijn gemaakt, terwijl ook klager daaraan heeft meegewerkt, maar dit acht klager iets tussen hem en Deelder.
De klacht betreft de handelwijze van betrokkene ter zake van het al dan niet plaatsen van de brieven van klager. Klager stelt dat zijn brief van 8 juli 1999 duidelijk gericht was aan Verwer persoonlijk. Hij wijst er op dat hij op de envelop en in de brief "t.a.v. Renzo Verwer" heeft geschreven en dat hij in de brief "u" en "uw" heeft gebruikt, waarmee hij doelde op Verwer. Deze brief was, aldus klager, niet voor publicatie bestemd. Door deze brief te publiceren en vervolgens zijn wél voor publicatie bestemde brief van 30 juli 1999 niet te publiceren heeft betrokkene laakbaar gehandeld. Dit klemt te meer nu Verwer, volgens klager, in zijn ingezonden brief een negatief beeld van klager heeft geschetst. Door zijn weerwoord op deze brief niet te plaatsen is klager in zijn belangen geschaad.

Volgens betrokkene mocht hij ervan uitgaan dat klagers brief van 8 juli 1999 bestemd was voor publicatie, aangezien klager in deze brief reageerde op een artikel. Bovendien heeft klager niet meegedeeld dat zijn brief niet geplaatst mocht worden en kon ook uit de strekking en toonzetting van deze brief worden opgemaakt dat het een ingezonden brief betrof. In zijn ingezonden brief heeft Verwer meegedeeld dat de reactie van klager niet werd gerechtvaardigd door het artikel. Het slot van deze brief betreft een korte, licht badinerende opmerking aan het adres van klager, aldus betrokkene. Na plaatsing van de brief van Verwer was de kwestie volgens betrokkene afgedaan. De brief van klager van 30 juli 1999 voegde geen relevante feiten toe aan de reeds geplaatste brieven, zodat betrokkene niet tot plaatsing van deze brief hoefde over te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager kan worden gevolgd in zijn stelling dat betrokkene had moeten begrijpen dat klagers brief van 8 juli 1999 niet bestemd was voor publicatie. Niettemin biedt zulks, gezien alle omstandigheden, onvoldoende grond voor de conclusie dat het publiceren van deze brief door betrokkene ontoelaatbaar is.
De Raad heeft voorts begrip voor de - wellicht enigszins subjectieve - uitleg van klager van de ingezonden brief van Verwer. Gelet op de inhoud van de door partijen overgelegde stukken is de Raad echter met betrokkene van mening dat het plaatsen van klagers brief van 30 juli 1999 mogelijk zou hebben geleid tot niet zinvolle herhaling van argumenten. In dit licht is de Raad van oordeel dat betrokkene geen grenzen heeft overschreden van hetgeen journalistiek aanvaarbaar is door niet tot plaatsing van deze brief over te gaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 februari 2000 door mr. W.D.H. Asser, als voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mw. C.E.J.M. Joosten en mr. B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris

Uitspraak 2000-12