2000/1 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

 

 

X

tegen

 

 

de eindredacteur van het programma 'Catherine' (TéVé Holland)

 

 

 

Bij brieven van 28 juni en 28 juli 1999 met drie bijlagen, waaronder een video-opname van de gewraakte uitzending, heeft X namens zijn dochter Y (klaagster) een klacht ingediend tegen de eindredacteur van het programma 'Catherine' (betrokkene). Hierop heeft A.I. van Veen, lid van de eindredactie, gereageerd in een brief die op 11 augustus 1999 is ontvangen. X heeft de klacht bij brief van 26 augustus 1999 nog nader toegelicht.

 

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 1999. Klaagster is daar verschenen, bijgestaan door haar vader. Aan de zijde van betrokkene zijn A.I. van Veen en I. van den Brekel verschenen. De Raad heeft voorafgaand aan de zitting de video-opname bekeken.

 

 

 

 

 

DE FEITEN

Op 15 maart 1999 is tussen 16.00 en 17.00 uur een aflevering van het programma 'Catherine' uitgezonden met als onderwerp 'Seks via de telefoon'. In de uitzending zijn personen geïnterviewd die zeggen via de telefoon gesprekken te voeren met bellers van erotische nul-zes telefoonlijnen. Een van deze personen, die in de uitzending het pseudoniem Rob gebruikte, exploiteert naar zijn zeggen als SM-adviseur een dergelijke telefoonlijn. Deze Rob kwam een aantal keren in beeld en vertelde onder meer dat hij soms naar aanleiding van telefoongesprekken mensen thuis ontvangt. In dit verband werden in de uitzending foto's vertoond van een door Rob ingerichte SM-ruimte en van - deels onherkenbaar gemaakte - personen in SM-kleding.
Deze Rob is met klaagster gehuwd geweest. Samen hebben zij twee kinderen van thans 7 en 10 jaar oud, die bij klaagster wonen.

 

 

Na de uitzending heeft klaagster betrokkene telefonisch benaderd en bezwaren tegen de uitzending kenbaar gemaakt. Betrokkene heeft naar aanleiding hiervan afgezien van een voor de zomer van 1999 geplande herhaling van de uitzending.

 

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij en haar kinderen in een kleine gemeente wonen, waar Rob voor velen herkenbaar is als de vader van haar kinderen. De kinderen, die niet op de hoogte waren van de SM-activiteiten van hun vader, hebben op school over de uitzending gehoord en zijn daar mee gepest. Ten gevolge van de uitzending hebben zij ernstige psychische schade opgelopen, waarvoor zij nog steeds worden behandeld. Klaagster acht betrokkene hiervoor, naast haar ex-echtgenoot, mede verantwoordelijk.
Zij acht de gewraakte uitzending niet geschikt voor jeugdige kijkers. De uitzending had volgens haar dan ook niet mogen plaatsvinden op een tijdstip waarop veel kinderen televisie kijken.

 

 

Bovendien had betrokkene ermee rekening moeten houden dat Rob jonge kinderen heeft en dat de uitzending voor zijn kinderen schadelijk kon zijn. Door daarnaar geen onderzoek te doen en tot uitzending over te gaan heeft betrokkene, aldus klaagster, laakbaar gehandeld.

 

 

 

Volgens betrokkene behoorde het tot de eigen verantwoordelijkheid van Rob om in verband met zijn deelname aan de uitzending rekening te houden met de belangen van zijn kinderen. Rob heeft zichzelf aangemeld voor deelneming aan de uitzending. Naar eventuele kinderen is niet geïnformeerd, omdat wetenschap daarover voor de inhoud van de uitzending niet relevant was.
Indien Rob voorafgaand aan de uitzending had meegedeeld dat hij jonge kinderen had, zouden maatregelen zijn genomen. In dat geval zou bijvoorbeeld Rob onherkenbaar in beeld zijn gebracht of het gedeelte over hem niet zijn uitgezonden.
Betrokkene stelt voorts dat de uitzending geenszins ongeschikt was voor jonge kijkers. De uitzending was luchtig en amusant van toon en er werden geen seksuele handelingen getoond.
Alhoewel betrokkene de gang van zaken betreurt, is hij niet van mening dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld.

 

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Over de vraag of de uitzending geschikt was voor jeugdige kijkers en of deze had mogen plaatsvinden op het tijdstip waarop de uitzending heeft plaatsgevonden, waardoor mogelijk jeugdige kijkers naar de uitzending hebben gekeken, zal de Raad zich niet uitspreken, omdat dat eerder een aangelegenheid met betrekking tot de toepassing van de mediawetgeving dan een journalistieke gedraging betreft.
Wat de verantwoordelijkheid van betrokkene betreft met betrekking tot de bescherming van belangen van derden, overweegt de Raad mede gezien hetgeen betrokkene ter zitting heeft aangevoerd dat hij meer had kunnen ondernemen teneinde te voorkomen dat zich een situatie als de onderhavige zou voordoen. Dit leidt echter nog niet tot de conclusie dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen journalistiek aanvaardbaar is. Weliswaar is betrokkene verantwoordelijk voor zijn programma's, maar die verantwoordelijkheid strekt niet zover, dat hij in dit geval de plicht had om na te gaan of Rob, die zichzelf voor deelname aan de uitzending had aangemeld, kinderen heeft die door het uitgezondene benadeeld konden worden.

 

 

 

 

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

 

 

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 'Catherine'.

 

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 januari 2000 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr. B.A. Schmitz, J.M.P.J. Verstegen en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak 2000-01