1999/9 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S. van de Velden

tegen

De Waalwijker op Zondag

Bij brief van 18 september 1998 met één bijlage heeft S. van de Velden (klager) een klacht ingediend tegen De Waalwijker op Zondag (betrokkene). Mr. M. de Folter heeft bij brief van 27 oktober 1998 met twee bijlagen namens De Waalwijker op Zondag op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 1998. Klager en betrokkene zijn geen van beiden verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 17 mei 1998 is in De Waalwijker op Zondag onder de kop "Jeugdbeleid op de schop" een artikel gepubliceerd over jeugdbeleid, door jongeren veroorzaakte overlast en zogenaamde "hangplekken". Bij het artikel is een foto geplaatst waarop enkele jongeren, waaronder klager, herkenbaar zijn afgebeeld. Bij de foto is vermeld: "Is dit eigenlijk wel een hangplek?".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het publiceren van de foto, waarop hij goed herkenbaar is. Hij wordt gepest met scheldpartijen over "hangjongeren". Betrokkene had de foto niet mogen plaatsen zonder de toestemming van - onder andere - klager.

Betrokkene stelt dat de foto op een zaterdagmiddag is genomen op een voor iedereen toegankelijke, openbare ruimte, namelijk een winkelcentrum. Betrokkene meent dat voor foto's genomen in de openbare ruimte geen voorafgaande toestemming nodig is. Daarnaast doet de foto volgens betrokkene op geen enkele wijze afbreuk aan de persoon van klager en is ook diens naam in het artikel niet genoemd. Voorts stelt betrokkene dat de term "hangplek voor jongeren" geen negatieve betekenis heeft en dat het artikel geen grievend karakter heeft.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager is door de plaatsing van de foto bij het betreffende artikel duidelijk herkenbaar afgeschilderd als "hangjongere", hetgeen een negatieve teneur heeft. Uit niets blijkt dat klager toestemming voor publicatie van de foto heeft gegeven.

De stelling van betrokkene dat voor het publiceren van foto's gemaakt in de openbare ruimte geen voorafgaande toestemming nodig is, is in zijn algemeenheid niet juist. Ook in openbare ruimtes geldt het portretrecht in beginsel onverkort. Dat zulks beperkingen kent, bijvoorbeeld wanneer een persoon toevallig in de openbare ruimte wordt gefotografeerd en niet met een specifiek onderwerp in verband wordt gebracht, doet daar in de hier beoordeelde situatie niet aan af.

Gelet op het voorgaande meent de Raad dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen naar maatstaven van journalistieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in De Waalwijker op Zondag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, mevrouw A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-09