1999/8 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Winnemuller Reizen B.V.

tegen

J. Schreuder en De Gelderlander

Bij klaagschrift van 23 september 1998 met twee bijlagen heeft mr. H.S. Bugter als gemachtigde van Winnemuller Reizen B.V. (klaagster) een klacht ingediend tegen J. Schreuder en De Gelderlander (betrokkenen). Bij brief van 8 oktober 1998 heeft H.J. Kuyt, hoofdredacteur van De Gelderlander, op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 1998. Namens klaagster zijn verschenen mr. Bugter en Y.C.M. van Velzen. Namens betrokkenen is J. Schreuder verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

J. Schreuder verzorgt onder het pseudoniem Douwe IJssel in De Gelderlander een vaste wekelijkse rubriek met de naam "gedonderdag". In de editie van donderdag 18 juni 1998 heeft J. Schreuder, in een serie van drie stukken over "reisletsel", verslag gedaan van een reis naar Oostenrijk die een groep vrouwen heeft gemaakt. De reis was verzorgd door klaagster, die in het artikel is vermeld als reisorganisator. Het artikel heeft een negatieve teneur. Beschreven wordt onder meer dat een omboeking van hotels heeft moeten plaatsvinden, waarbij de reisorganisatie in plaats van meerkosten meerontvangsten zou hebben gehad "die ze in eigen zak konden steken". De echtgenote en schoonzuster van J. Schreuder hebben aan de bewuste reis deelgenomen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster is van mening dat betrokkenen onzorgvuldig te werk zijn gegaan. Door na te laten het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen en vervolgens klaagster af te schilderen als een organisatie die de groep dames heeft opgelicht, hebben betrokkenen de grenzen overschreden van wat, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkenen wijzen erop dat door de echtgenote en schoonzuster van Schreuder ook een officiële klacht bij klaagster is ingediend, zij het eerst ná het verschijnen van het artikel. Van belangenverstrengeling als door klaagster gesuggereerd is geen sprake, nu een columnist wel vaker de stof voor zijn artikelen uit eigen kring haalt. Hoor en wederhoor hoefde niet te worden toegepast, nu het hier een column betreft. Bovendien zou wederhoor niet tot een ander artikel hebben geleid gelet op de door zijn bronnen gegeven feiten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat het artikel een column zou betreffen, is dit column-karakter van zeer ondergeschikte aard. Het artikel is dusdanig feitelijk van aard dat hoor en wederhoor had behoren te worden toegepast. Dit geldt temeer nu klaagster in het artikel op negatieve wijze wordt afgeschilderd. Betrokkenen hebben door hun handelen de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in De Gelderlander.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, mevrouw A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-08