1999/78 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Schreurs Oliemaatschappij B.V.

tegen

E. Nordholt/hoofdredacteur De Telegraaf

Bij brief van 21 april 1999 met 5 bijlagen heeft mr. M.J.A.M. Muijres, advocaat te Venlo, namens Schreurs Oliemaatschappij B.V. te Venlo (klaagster) een klacht ingediend tegen E. Nordholt en de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkenen).
Bij brief van 27 mei 1999 hebben betrokkenen laten weten niet op de klacht te zullen reageren.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 juli 1999 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

Bij brief van 26 juli 1999 heeft de Raad enkele vragen aan betrokkenen voorgelegd, waarop de heer Nordholt per brief van 5 augustus 1999 heeft geantwoord. Vervolgens heeft mr. Muijres daar op 16 september 1999 schriftelijk op gereageerd.

DE FEITEN

Schreurs Oliemaatschappij is sinds jaar en dag de enige te Venlo gevestigde oliehandel.
De Telegraaf publiceerde op donderdag 19 november 1998 een artikel over een geval van olieverontreiniging onder de kop 'Venlo wil gifzaak stilhouden'. Volgens het artikel was er sprake van 'zware watervervuiling' en 'massale vissterfte' in beken en vennen. In de grond aanwezige olie zou afkomstig zijn van een terrein waar vroeger een oliehandel was gevestigd, die afgewerkte olie loosde op de beken rondom het terrein. De gemeente Venlo wilde op het terrein asielzoekers onderbrengen. Klaagster verzocht naar aanleiding van deze publicatie om plaatsing van een rectificatie. Betrokkene antwoordde dat daarvoor geen aanleiding bestond.
Op 8 december 1998 verscheen in De Telegraaf het bericht dat de gemeente Venlo de asielopvang had uitgesteld. Ook in dit artikel werd vermeld dat 'diverse omwonenden en mensen die op het voormalige industrieterrein werkten' verklaard zouden hebben 'dat de oliehandel die er ooit gevestigd was jarenlang grote hoeveelheden met olie vervuild slib op de beken loosde'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster bevatten beide artikelen onjuistheden. Zij heeft nooit in afgewerkte olie gehandeld, laat staan dat zij deze zou hebben geloosd op de beken rondom het terrein. Uit onderzoek is gebleken dat de vissterfte niet door (olie)verontreiniging, maar door gebrek aan zuurstof in het water werd veroorzaakt. De vermeende vervuiling kan dus niet door toedoen van klaagster zijn veroorzaakt.
De geuite beschuldigingen zijn dermate ernstig, dat de journalist de kwestie uitgebreid had behoren te onderzoeken, aldus klaagster. Zij stelt dat de aantijgingen niet werden gesteund door het voorhanden feitenmateriaal, dan wel door nadien gebleken feiten en omstandigheden. Betrokkenen hebben ten onrechte geen hoor en wederhoor toegepast.

Betrokkenen stellen dat zij over meerdere bronnen beschikten. Zij noemen een onderzoek van een adviesbureau naar oppervlaktevervuiling en uitspraken daaromtrent van een medewerker van dit bureau, schriftelijke getuigenverklaringen van buurtbewoners, een getuigenverklaring van een vroegere medewerker van klaagster en fotomateriaal van de installatie waarmee de olie vanaf het terrein in de omliggende beken werd gepompt. Deze bronnen spraken voor zich, betogen betrokkenen. Een commentaar van de oliehandel zou geen ander licht op de zaak hebben geworpen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit twee onderdelen:
1. beide artikelen bevatten onjuistheden;
2. de journalist heeft onvoldoende onderzoek gedaan en ten onrechte geen hoor en wederhoor toegepast.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht wordt het volgende overwogen.
Op basis van het door klaagster overgelegde rapport van het bureau Oppervlaktewater van het Zuiveringschap Limburg, rapportagedatum 18 november 1998, was de geconstateerde vissterfte in de bospoel te wijten aan het zeer lage zuurstofgehalte in het water. Dit was veroorzaakt, aldus het rapport, door bacteriƫle afbraak van afgevallen herfstbladeren en door afbraak van humusstoffen die via de hevige regenval met oppervlakkige grondwaterstromen in de poel zijn gekomen. Voor verontreinigingen, afkomstig uit de bodem van het terrein waar klaagster vroeger was gevestigd, bestonden geen aanwijzingen. Betrokkenen beroepen zich op gegevens uit een rapport van een onderzoeksbureau, die zouden aantonen dat het water uit de beken vervuild zou zijn met zware metalen, benzine en olie. Tevens stellen betrokkenen te beschikken over schriftelijke getuigenverklaringen en over fotomateriaal. Zij hebben een en ander echter niet overgelegd. Bij deze stand van zaken kan de Raad niet met zekerheid vaststellen dat betrokkenen over voldoende betrouwbaar materiaal beschikten om over te gaan tot publicatie. Het tegendeel is evenmin met zekerheid vast te stellen. Doch wat hiervan zij, de beschuldigingen zijn dermate ernstig en schadelijk voor klaagster, dat, ook bij voldoende betrouwbaar bronmateriaal, toepassing had moeten worden gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Gebleken is dat betrokkenen hebben nagelaten contact te zoeken met klaagster, om haar met de beschuldigingen te confronteren. Daarmee zijn de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 december 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mw. J.A. Koerts, drs. P. Sijpersma en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-78