1999/76 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F.J. Stoker

tegen

A. Groot (Panorama)

Bij brief van 1 juli 1999 heeft F.J. Stoker te Amsterdam (klager) een klacht met twee bijlagen ingediend tegen A. Groot, journalist bij Panorama (betrokkene).
Hierop heeft mr. F.J. Steenbeek, bedrijfsjurist bij VNU, namens betrokkene gereageerd in een brief van 19 augustus 1999 met acht bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 oktober 1999. De heer Stoker verscheen in persoon. Voor betrokkene verscheen mr. Steenbeek.

DE FEITEN

Klager heeft sinds 1990 een juridisch adviesbureau.
Panorama publiceerde in nummer 51 van 1998 een artikel over klager met de kop 'Panorama ontmaskert Fokke Stoker - de tovenaar is uitgegoocheld' en daarboven: 'Consul, advocaat, gentleman, juridisch adviseur, maar vóóral: Meesteroplichter'. Het artikel was volgens een inleidende passage totstandgekomen na maandenlang onderzoek van verslaggever A. Groot. Groot had klager een dag voorafgaand aan de publicatie schriftelijk enkele vragen voorgelegd, die door hem waren beantwoord. Het artikel bevatte tal van beschuldigingen aan het adres van Stoker, geïllustreerd met verhalen van gedupeerde cliënten. Het eindigde met een oproep aan mensen die negatieve ervaringen met klager hadden, om met Panorama in contact te treden.
In Panorama nummer 14 van 1999 verscheen een vervolg op voornoemd artikel, met de kop 'De meesteroplichter mag verder zwendelen' en de sub-kop 'Panorama ontmaskerde Fokke Stoker, maar justitie laat de juridische tovenaar op vrije voeten'. Bij het artikel stond een portret van klager, voorzien van een balkje over de ogen. Wederom werd aan de hand van verhalen van voormalige cliënten van klager betoogd dat klager een zwendelaar is. Hij zou bovendien in het verleden als tipgever van justitie en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) zijn opgetreden, hetgeen zou verklaren waarom justitie hem niet te hard aanpakt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt, mede op grond van de ernst van de jegens hem gemaakte verwijten, dat betrokkene onvoldoende hoor en wederhoor heeft toegepast. Hij kreeg voorafgaand aan de eerste publicatie slechts één dag de tijd om éénendertig vragen te beantwoorden. Deze vragen en de door hem gegeven antwoorden zijn, op één na, niet in het artikel verwerkt. Het artikel bevatte daarentegen beschuldigingen waarop de aan hem gestelde vragen geen betrekking hadden. Ten behoeve van het tweede artikel heeft betrokkene helemaal geen contact met klager gezocht. Klager verwijt betrokkene dat hij zich op eenzijdig bronnenmateriaal heeft beroepen en geen behoorlijk feitenonderzoek heeft gedaan. De publicaties bevatten onjuistheden, zoals de bewering dat klager tipgever van politie is geweest en dat de politie op verzoek van de curator zijn kantoor heeft doorzocht en dossiers in beslag heeft genomen. Voorts zou betrokkene, door essentiële feiten die in het voordeel van klager spraken niet te vermelden, de lezer doelbewust hebben misleid. Klager meent dat betrokkene zich door zijn voormalig collega, die er op uit zou zijn om klager in diskrediet te brengen, heeft laten gebruiken. Volgens klager heeft betrokkene de mensen, die op de oproep in het eerste artikel reageerden, aangezet om aangifte tegen hem te doen van strafbare feiten.

Betrokkene is van mening dat er voldoende is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Er zijn aan klager vragen gesteld, die hij echter niet allemaal heeft beantwoord. Op boodschappen op zijn telefonisch antwoordapparaat heeft klager niet gereageerd. De journalist heeft uitgebreid onderzoek gepleegd. Zo heeft hij meer dan tien gedupeerden gesproken, de stukken met betrekking tot het faillissement van klager bestudeerd en bij advocaten en notarissen navraag naar klager gedaan. Een aantal van deze bronnen wenste echter anoniem te blijven. Betrokkene betwist dat de publicaties onjuistheden of onvolledigheden bevatten. De huiszoeking en inbeslagname vond weliswaar niet plaats door de politie, maar wel door de curator. Hij kan de beschuldigingen aan het adres van klager volledig verantwoorden. De gebezigde koppen acht hij functioneel. Betrokkene ontkent met kracht dat hij zich door de voormalig collega van klager heeft laten sturen. De oproep aan het eind van het eerste artikel is geplaatst, omdat betrokkene op grond van het verzamelde materiaal aanwijzingen had dat veel meer mensen door klager gedupeerd waren. Tenslotte betoogt betrokkene dat er sprake is van een ernstige misstand, zodat de publicatie ook uit het oogpunt van het algemeen belang gerechtvaardigd zou zijn.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De gewraakte publicaties zijn voor een groot deel gebaseerd op verhalen van gedupeerde cliënten en op feitelijkheden. De Raad acht voldoende aannemelijk dat daarvoor betrouwbare bronnen en materiaal voorhanden waren. Uitgezonderd de passage omtrent de inbeslagname, die zoals betrokkene ter zitting toegaf, wel was uitgevoerd, maar niet door de politie, heeft de Raad geen aperte onjuistheden kunnen vaststellen.
Betrokkene heeft er voor gekozen om ten aanzien van een aantal beschuldigingen hoor en wederhoor toe te passen. Dit is, gezien de aard en ernst van die beschuldigingen, voor de hand liggend. De wijze waarop betrokkene daaraan vorm heeft gegeven is echter niet zorgvuldig. Klager kreeg slechts één dag de tijd om een lange lijst met vragen te beantwoorden, die betrekking hadden op aard en inhoud van een aantal beschuldigingen. Aangezien betrokkene, naar is gesteld en ook aannemelijk wordt bevonden, niet over één nacht ijs is gegaan en geruime tijd met zijn onderzoek bezig is geweest, is een dergelijk korte termijn voor beantwoording niet aanvaardbaar.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Panorama te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 december 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes. mw. mr. W. Sorgdrager en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-76