1999/74 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Bestrijding Antisemitisme

tegen

de hoofdredacteur van de VPRO Gids

Bij brief van 2 juni 1999 heeft R.A. Stein, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Bestrijding Antisemitisme (STIBA) te Rotterdam (klaagster), een klacht met 8 bijlagen ingediend tegen de hoofdredacteur van de VPRO Gids (betrokkene). Namens betrokkene hebben F. Stoopendaal, afdeling juridische zaken VPRO en B. Paans, hoofd communicatie, op de klacht gereageerd in een brief van 15 juli 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 oktober 1999. Namens klaagster verschenen R.A. Stein, N.H. Weinperle en W. Zuidema. Namens de VPRO waren F. Stoopendaal en H. van Dalfsen aanwezig.

DE FEITEN

STIBA stelt zich blijkens haar statuten ten doel: 'de bestrijding van het antisemitisme en andere vormen van racisme en discriminatie'.
In de maanden maart, april en mei 1999 ontspon zich in de VPRO Gids een discussie over het onderwerp 'besnijdenis'. Aanleiding hiervoor vormde een artikel van Katja de Bruin, getiteld 'Rumoer om religieuze besnijdenis', gepubliceerd in de rubriek Etalage van Gids nummer 13. Het betrof een aankondiging van de documentaire 'Die Beschneidung' die zou worden uitgezonden op de Duitse televisiezender West 3. De Bruin liet een vertegenwoordiger van de Stichting tegen religieuze besnijdenis aan het woord, die zich in felle bewoordingen uitte over religieuze besnijdenis. Gids nummer 15 bevatte een ingezonden brief met de kop 'Nooit meer smegma', waarin bezwaren tegen het voornoemde artikel van De Bruin en tegen de Stichting tegen religieuze besnijdenis werden geuit. In de brievenrubriek van Gids nummer 17 stonden twee reacties op deze brief. De eerste brief bevatte de passage: Het deed mij veel deugd om in VPRO-gids 15 te lezen dat D.A. Levy te A. kennelijk geen enkel trauma heeft overgehouden aan het op zeer jeugdige leeftijd ritueel laten verminken van zijn snikkel door zijn ouders, een daad van barmhartigheid naar ik aanneem, vooral ingegeven door het oudtestamentische motto: Wie zijn zoon liefheeft, spaart de roede niet.
Uit de andere brief zijn de volgende passages van belang voor de onderhavige klacht: Als er ontdekt zou worden dat een of andere New Age-sekte zich schuldig maakt aan het uitvoeren van seksueel georiënteerde bloedrituelen met weerloze minderjarigen, dan zou de wereld terecht op zijn kop staan. Maar als dit gedaan wordt door traditionele religies als het judaïsme en de islam, dan is er niets aan de hand.(.....) Het wordt wat anders als volwassenen besluiten tot het verminken van kinderen, die niet bij machte zijn zich daartegen te verzetten. Want dat is wat er gebeurt bij het besnijdenisritueel. Ik kan geen reden bedenken waarom dit niet in strijd zou zijn met de internationale rechten van de mens (dan wel het kind), waar lichamelijke integriteit een van de belangrijkste uitgangspunten is.
STIBA stuurde op 27 april 1999 een voor publicatie bestemde reactie aan de VPRO Gids, waarbij tevens om rectificatie en excuses werd verzocht. Deze brief werd niet geplaatst, omdat betrokkene van mening was, blijkens zijn antwoord van 11 mei 1999, dat in het artikel noch in de nadien geplaatste brieven sprake was van uitlatingen die een journalistiek medium niet had mogen publiceren. Gids nummer 20 bevatte ten slotte nog een ingezonden brief van een voorstander van besnijdenis, waarmee de redactie de discussie gesloten verklaarde.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

STIBA is van mening dat in het artikel van De Bruin en in de in nummer 17 geplaatste brieven vooroordelen worden uitgedragen die schadelijk zijn voor Joden en voor de samenleving in het geheel. De term 'ritueel' als omschrijving van Joodse praktijken wordt in de Angelsaksische samenleving als antisemitisch ervaren. Volgens STIBA is, door publicatie van het kritiekloze artikel van De Bruin, door de brief van Levy van een honende kop te voorzien en door opname van twee anti-joodse brieven, terwijl een publicatie van een brief van STIBA werd geweigerd, sprake van meer dan alleen onzorgvuldigheid door betrokkene. Desinformatie bewijst een grotere dienst aan de vervreemding van groepen dan rassenhaat en is het grootste gevaar dat een multiculturele, multi-etnische samenleving bedreigt, zo betoogt STIBA.

Betrokkene meent allereerst dat STIBA niet ontvankelijk is in haar klacht wegens het ontbreken van een persoonlijk belang. Bovendien wordt 'besnijdenis' in het gewraakte artikel in algemene termen behandeld. Het is geen exclusief joodse zaak. Het ontvankelijkheidsverweer geldt niet voor het onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op de ingezonden brief.
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merkt betrokkene op, dat er geen sprake is van het uiten van vooroordelen, met de zware kwalificaties die STIBA daaraan toekent, maar van een meningsverschil over de medische noodzaak van een lichamelijke ingreep. De opvatting over besnijdenis is op geen enkele wijze in verband gebracht met etnische en/of raciale achtergronden.
De kop boven de brief van Levy had beter gekund, maar vormt de kern van die brief en is daarom volgens betrokkene inhoudelijk verdedigbaar. Dat geldt ook voor het gevoerde beleid met betrekking tot de ingezonden brieven. De brief van STIBA, waarvan integrale plaatsing was geëist, was veel te lang. De uiteindelijk als laatst gepubliceerde brief, waarin besnijdenis om medische redenen wordt aanbevolen, werd geschikt bevonden ter afsluiting van de discussie en vormde een goed alternatief, aldus betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

STIBA maakt in deze zaak bezwaar tegen publicatie van vermeende uitingen van antisemitisme. Dit past binnen haar doelstelling, zoals die uit de statuten blijkt. STIBA is daarom ontvankelijk in de klacht.

Het artikel en ook de gepubliceerde brieven hebben in hoofdzaak betrekking op het onderwerp besnijdenis. Het gaat daarbij om besnijdenis als algemeen verschijnsel en niet expliciet of impliciet om besnijdenis specifiek bij joden. De opvatting van STIBA, dat de publicaties antisemitisch zijn, wordt door de Raad dan ook niet gedeeld. De wijze waarop twee van de briefschrijvers zich over besnijdenis uitlaten is controversieel. Met de publicatie van deze uitlatingen gaf de VPRO ruimte voor discussie over het onderwerp, een discussie die met het artikel van De Bruin in gang was gezet.
Het had, gelet op het verloop van de discussie, voor de hand gelegen indien ook aan STIBA gelegenheid was geboden om haar zienswijze kenbaar te maken door middel van een ingezonden brief, met een bij de brievenrubriek passende lengte. Van de zijde van betrokkene is ter zitting erkend dat het gelegenheid bieden tot een reactie van maximale omvang een optie was die ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. De Raad ziet hierin echter geen gedraging waarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de VPRO Gids te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes. mw. mr. W. Sorgdrager, drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-74