1999/72 gegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

J.H. de Jonge

 

 

tegen

 

 

J. van Casteren en P. Vermaas (De Groene Amsterdammer)

 

 

Bij brief van 27 mei 1999 met negen bijlagen heeft J.H. de Jonge (klager) een klacht ingediend tegen J. van Casteren en P. Vermaas, redacteuren van De Groene Amsterdammer, (betrokkenen). Hierop hebben betrokkenen gereageerd in een brief van 30 juli 1999.

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 1999 in aanwezigheid van partijen.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

Op 28 april 1999 is in De Groene Amsterdammer een door betrokkenen geschreven artikel verschenen onder de kop "Bijlmergekte ontmaskerd". In dit artikel, dat gaat over de Bijlmerramp-affaire en de rol van de media daarin, wordt klager in de navolgende passage genoemd:
"De Stichting Visie van Hans de Jonge greep de Laka-ontdekking aan om op eigen houtje een faeces-onderzoek te verrichten. De resultaten toonden toen ook al aan dat er geen sprake was van grote concentraties uranium. De Jonge nam hier geen genoegen mee en slikte een magnesiumpil om het eindresultaat te beïnvloeden."

 

 

Bij ingezonden brief van 5 mei 1999 heeft klager een aantal van zijn bezwaren tegen het artikel uiteengezet. Deze brief is op 12 mei 1999 in De Groene Amsterdammer gepubliceerd.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager wordt in de aangehaalde passage gesuggereerd dat hij opzettelijk het eindresultaat heeft willen beïnvloeden van een onderzoek naar het uraniumgehalte in de ontlasting van slachtoffers van de Bijlmerramp. Dit is echter feitelijk onjuist.
Klager heeft aan een Zweeds onderzoekslaboratorium opdracht verstrekt om dit onderzoek te verrichten. Hijzelf is geen slachtoffer van de Bijlmerramp en behoorde dan ook niet tot de onderzoeksgroep. Ook de ontlasting van klager is onderzocht, omdat klager deel uitmaakte van de controlegroep. Toen na het onderzoek van beide groepen bleek dat de buisjes van klager en die van een - tot de onderzoeksgroep behorende - brandweerman niet van elkaar konden worden onderscheiden, diende een tweede onderzoek te worden verricht teneinde dit onderscheid alsnog te kunnen maken. Klager heeft, uit financiële overwegingen, dit tweede onderzoek aangegrepen om gelijktijdig experimenteel te onderzoeken of met magnesium uranium aan het lichaam kan worden onttrokken. In het kader van dit experiment heeft klager een magnesiumpil geslikt.
Klager betoogt dat de overige parameters uit het eerste onderzoek in het tweede onderzoek niet zijn gewijzigd. Na het tweede onderzoek kon derhalve worden vastgesteld welk buisje in het eerste onderzoek op klager betrekking had. Bovendien heeft klager het onderzoekslaboratorium direct na afloop van het tweede onderzoek meegedeeld dat hij in het kader van zijn experiment een magnesiumpil had ingenomen. Dit experiment is dan ook niet van invloed geweest op de eindresultaten van het onderzoek naar het uraniumgehalte van de onderzoeksgroep.
Klager wijst er op dat hij in verband met een eerdere publicatie uitvoerig met Van Casteren heeft gesproken en daarbij een en ander heeft uitgelegd. Niettemin bevat het artikel feitelijke onjuistheden waardoor de indruk wordt gewekt dat klager wetenschappelijke fraude zou hebben gepleegd. Betrokkenen hebben derhalve onzorgvuldig gehandeld, aldus klager.

 

Betrokkenen stellen dat klager naar aanleiding van zijn experiment zelf de publiciteit heeft gezocht. Zij wijzen op eerdere publicaties over het experiment van klager en op het hierboven genoemde gesprek tussen klager en Van Casteren.
Betrokkenen betogen dat klager de schijn heeft gewekt dat hij het eindresultaat van het onderzoek heeft beïnvloed. Klager is dan zelf verantwoordelijk voor de onderhavige berichtgeving. Zij benadrukken dat klager in zijn ingezonden brief niets heeft vermeld over de nu voorliggende klacht.
Desgevraagd verklaart Van Casteren dat hij eerst na de mondelinge toelichting van klager ter zitting het experiment van klager volledig doorgrondt en dat, met de kennis die hij daarover nu heeft, gezegd moet worden dat de berichtgeving over klager wellicht niet geheel passend is geweest.

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad kan betrokkenen in zoverre volgen in hun standpunt, dat klager met zijn, gelet op het doel van het onderzoek, nogal buitenissige experiment verwarring over de precieze bedoeling daarvan wel enigszins in de hand heeft gewerkt.
Dit neemt echter niet weg dat de gewraakte passage ten onrechte het ernstige verwijt inhoudt van (een poging tot) manipulatie van de resultaten van het eigenlijke, op slachtoffers van de Bijlmerramp betrekking hebbende, onderzoek. Voor dat verwijt bestond geen grond; het berustte uitsluitend op een, naar ook betrokkenen nu erkennen, onjuiste uitleg van uitlatingen van klager. Een uitleg die betrokkenen, als zij te werk waren gegaan met de zorgvuldigheid die bij het uiten van een dergelijk verwijt geëist mag worden, eenvoudig hadden kunnen vermijden. Met dat verwijt aan het adres van klager hebben betrokkenen dan ook de grenzen overschreven van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Groene Amsterdammer te publiceren.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 november 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, mw. J.A. Koerts, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

 

 

Uitspraak 1999-72