1999/71 ongegrond

?

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

C. Zijlmans en de hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad

Bij brief van 23 april 1999 met tien bijlagen heeft X (klager) een klacht ingediend tegen C. Zijlmans en de hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad (betrokkenen). Hierop heeft J. Prins, hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad, mede namens C. Zijlmans gereageerd in een brief van 20 mei 1999 met drie bijlagen. Klager heeft zijn klacht nader toegelicht bij brief van 20 juni 1999 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 1999. Klager is verschenen en heeft ter zitting een pleitnota heeft overgelegd. Namens betrokkenen zijn verschenen C. Zijlmans en J. Booister, chef stadsredactie van het Rotterdams Dagblad.

?

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 5 en 19 maart 1999 zijn in het Rotterdams Dagblad achtereenvolgens twee artikelen van de hand van C. Zijlmans gepubliceerd. In het eerste artikel met de kop "Oplichtende CID-informant zei 'Moszkowicz-advocaat' te zijn" wordt verslag gedaan van de terechtzitting van een strafzaak tegen klager. De tweede publicatie met de kop "Oplichtende CID-informant veroordeeld tot drie jaar cel" betreft de uitspraak die op 18 maart 1999 in die zaak is gedaan door de rechtbank te Rotterdam.

Aan klager waren drie?wintig gevallen van valsheid in geschrifte of oplichting ten laste gelegd. In al die drieentwintig gevallen is een bewezenverklaring uitgesproken. De rechtbank veroordeelde klager tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarde "dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland Arrondissement Rotterdam, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, hetgeen mede kan inhouden dat de veroordeelde zijn medewerking dient te verlenen aan een door de RIAGG te verstrekken ambulante behandeling, indien en zolang genoemde reclasseringsinstelling dit nodig acht". Klager heeft hoger beroep ingesteld.

In beide artikelen wordt klager aangeduid als "...(X)..." en worden zijn leeftijd, woonplaats en land van herkomst vermeld. Het artikel van 5 maart 1999 bevat de passage "Op het sterfbed van zijn moeder had hij beloofd, dat hij zijn rechtenstudie zou afmaken..." In de publicatie van 19 maart zijn de volgende passages opgenomen: "Volgens schattingen heeft hij zo'n veertig mensen opgelicht.", "...heeft bij het sterfbed van zijn moeder beloofd, dat hij 'een belangrijke advocaat' zou worden." en "Ze adviseren behandeling door het Riagg om herhaling te voorkomen. De rechtbank nam het advies over en verplicht de man zich na het uitzitten van z'n straf onder behandeling te laten stellen van een psychiater, op straffe van het uitzitten van het voorwaardelijk deel van z'n straf."

Naar aanleiding van de publicatie van 5 maart heeft klager Zijlmans uitgenodigd voor een gesprek, waarin klager zijn visie op de strafzaak wenste te geven. Bij faxbericht van 11 maart heeft Zijlmans deze uitnodiging afgeslagen. In deze brief schrijft Zijlmans onder meer dat hij met betrokkenen bij de strafzaak heeft gesproken, dat klager zijn aanmerkingen op het artikel van 5 maart schriftelijk kenbaar kan maken en dat de advocaat van klager contact met hem kan opnemen in de rechtszaal als op 18 maart uitspraak wordt gedaan. Bij brief van 16 maart geeft klager zijn commentaar op het artikel van 5 maart en zijn visie op de strafzaak met het verzoek het artikel van 5 maart te rectificeren dan wel in een aanvullend artikel te verwerken.
In zijn brief van 24 maart aan Booister heeft klager meegedeeld dat hij bezwaren heeft tegen de artikelen van 5 en 19 maart en heeft hij rectificatie verzocht. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 30 maart, waarna klager zijn verzoek tot rectificatie heeft herhaald in een brief van 2 april. Betrokkenen hebben de afwijzing van dit verzoek gehandhaafd bij brief van 12 april 1999.

?

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat door de wijze waarop hij in de artikelen is aangeduid, en met name door de vermelding van zijn volledige voornaam, zijn privacy is geschonden.
Met betrekking tot de bewering dat hij volgens schattingen ongeveer veertig mensen zou hebben opgelicht, betoogt klager dat betrokkenen eerst in hun reactie op het klaagschrift hebben aangegeven dat deze informatie door politiemensen is verstrekt. Klager betwist de juistheid hiervan en stelt dat in het artikel de indruk wordt gewekt dat de informatie berust op feitelijke gegevens. Betrokkenen hadden in ieder geval de bron van de informatie in de publicatie dienen te vermelden.
De passages over de belofte aan het sterfbed van zijn moeder acht klager bijzonder grievend, omdat hij tot zijn grote spijt niet bij dit sterfbed aanwezig kon zijn. De berichtgeving is derhalve op dit punt feitelijk onjuist. Klager wijst er op dat blijkens het door hem ter zitting overgelegde afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting door hem is verklaard dat hij aan zijn moeder, die is overleden, heeft beloofd zijn rechtenstudie af te maken.
Ter zake van de passage over de behandeling door een psychiater stelt klager dat uit het vonnis slechts blijkt dat een ambulante therapie tot de mogelijkheden kan behoren en dat het woord "psychiater" in het vonnis niet voorkomt. Ook deze passage is, aldus klager, feitelijk onjuist en grievend.
Het artikel van 19 maart is bovendien onvolledig aangezien betrokkenen niet hebben vermeld dat klager van zes ten laste gelegde feiten is vrijgesproken.
Ten slotte hebben betrokkenen geen hoor en wederhoor toegepast nu zij enerzijds informatie van derden (politiemensen) in de berichtgeving opnemen doch anderzijds het commentaar van klager op het artikel van 5 maart en zijn de visie op de strafzaak niet publiceren.
Een en ander heeft volgens klager tot gevolg dat betrokkenen jegens hem onbehoorlijk dan wel onzorgvuldig hebben gehandeld.

Betrokkenen betogen dat zij op journalistiek correcte wijze verslag hebben gedaan van de terechtzitting en het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Zij wijzen erop dat sprake was van een openbare terechtzitting en dat zij bij vrijwel alle rechtbankverslagen voornaam en afgekorte achternaam van verdachten publiceren met vermelding van leeftijd en woonplaats. Het andere artikel van 5 maart, waarop klager heeft gewezen, vormt op dit punt een uitzondering.
Aangezien Zijlmans op de gang van bij het onderzoek tegen klager betrokken politieagenten heeft vernomen, dat het aantal door klager opgelichte mensen op veertig werd geschat, kon hij deze informatie in het artikel verwerken. Voorts heeft klager, volgens betrokkenen, tijdens de terechtzitting verklaard dat hij aan het sterfbed van zijn moeder heeft beloofd zijn rechtenstudie af te maken. Gezien hetgeen daaromtrent in het proces-verbaal is opgenomen, mochten zij de verklaring van klager opvatten op de wijze als in de artikelen is weergegeven. De aan de aan de proeftijd verbonden voorwaarde achten zij niet zo vrijblijvend als klager doet voorkomen.
Betrokkenen wijzen er op dat klager wel degelijk voor alle drie?wintig ten laste gelegde feiten is veroordeeld. De door klager gestelde vrijspraak betreft hetgeen hem met betrekking tot zes feiten primair ten laste is gelegd, terwijl hij voor hetgeen hem ter zake van diezelfde zes feiten subsidiair ten laste is gelegd, is veroordeeld.
Zij betogen ten slotte, dat klagers visie op de zaak in de artikelen is vermeld. Bovendien is het bij rechtbankverslaggeving de ge?ende weg, dat de advocaat van een verdachte contact opneemt met de verslaggever. Ondanks Zijlmans mededeling hierover in zijn faxbericht van 11 maart aan klager, heeft de advocaat van klager zich op 18 maart niet bij Zijlmans gemeld.

?

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met de, niet ongebruikelijke, wijze waarop zij klager in de artikelen hebben aangeduid, zijn door betrokkenen geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
De klachten over de schatting van het aantal opgelichte mensen, de aan de proeftijd verbonden voorwaarde alsmede over het niet-vermelden dat klager op onderdelen is vrijgesproken, betreffen alle - in het geheel van de artikelen bezien -niet meer dan onbeduidende details. Zelfs al zouden de stellingen van klager in zoverre feitelijk juist zijn, dan nog kan niet worden gezegd dat betrokkenen zich in hun berichtgeving hebben schuldig gemaakt aan onzorgvuldigheden die uit een oogpunt van behoorlijke journalistiek onaanvaardbaar zijn.
Ter zake van de klacht over de belofte van klager aan zijn moeder staan de lezingen van partijen lijnrecht tegen over elkaar, zodat de Raad daarover geen oordeel kan uitspreken.
De Raad overweegt voorts dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde is. Aangezien in dit geval van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, kan de klacht ook op dit punt niet tot gegrondbevinding leiden.

?

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Rotterdams Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 november 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, mw. J.A. Koerts, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-71

?