1999/70 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

AEGON N.V.

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 21 april 1999 met vijf bijlagen heeft G. van Dongen, Directeur Group Communications, namens AEGON N.V. (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (betrokkene). Hierop heeft Y. Zonderop, adjunct-hoofdredacteur, namens betrokkene gereageerd in een brief van 25 mei 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 1999. Namens klaagster zijn verschenen G. van Dongen, E.J.S. de Bruijne en mr. J.R. Jongeneel. Aan de zijde van betrokkene zijn verschenen L. van Grinsven en Y. Zonderop. G. van Dongen heeft de klacht toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 30 maart 1999 is in de Volkskrant een artikel van de hand van L. van Grinsven verschenen met de kop "Aegon omzeilt fiscus met risicoloze optie". De eerste alinea van het artikel luidt als volgt: "De optieregeling van verzekeringsmaatschappij Aegon omzeilt gedeeltelijk de nieuwe belastingwet. Het bedrijf biedt zijn werknemers een bonusregeling aan die zich precies gedraagt als een optieregeling, alleen hoeven de medewerkers geen belasting vooraf te betalen, zoals bij de normale optieregeling." Voorts bevat het artikel de passage "Deze optieconstructie, die zaterdag aan het licht kwam, is uniek in Nederland, omdat werknemers alleen belasting betalen als de optie geld waard wordt."

Bij brief van 30 maart 1999 heeft klaagster aan betrokkene haar bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt en rectificatie verzocht. Dit verzoek is in een brief van 1 april 1999 afgewezen. Hierop heeft klaagster op 1 april 1999 haar verzoek tot rectificatie herhaald. Betrokkene is niet tot rectificatie overgegaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt zich op het standpunt dat in het artikel, met name door de kop, wordt gesuggereerd dat zij zich schuldig maakt aan belastingontduiking. Dit is onjuist.
Een optie geeft aan de deelnemer van een optieplan het recht om tegen een bepaalde vooraf vastgestelde koers aandelen te verwerven. De deelnemer dient na toekenning van de optie-inkomsten belasting te betalen over de onderliggende waarde van de optie. Hij loopt dus indien de koers daalt het risico dat de opties hem slechts geld kosten in plaats van opleveren. De nieuwe regeling betreft geen opties - de deelnemer verkrijgt geen recht op het verwerven van aandelen - maar een tantièmeplan waarbij deelnemers een gedeelte ontvangen van de op aandelen van het eigen bedrijf behaalde koerswinst. Hierbij moet achteraf - nadat koerswinst is gerealiseerd - belasting worden betaald.
Klaagster benadrukt dat Van Grinsven voorafgaand aan de publicatie contact heeft gehad met De Bruijne, Financial Communications Officer van klaagster, en daarbij heeft gevraagd of sprake was van een truc. De Bruijne heeft dit ontkend en aan Van Grinsven duidelijk de werking van de regeling uiteengezet. Niettemin heeft betrokkene de nieuwe regeling als optieregeling aangeduid en deze als risicoloos aangemerkt.
Door de feitelijk onjuiste en tendentieuze berichtgeving - in welk verband klaagster wijst op het gebruik van het woorden "omzeilen" in combinatie met "constructie" en "aan het licht kwam" - wordt moedwillig een verkeerde, negatieve indruk gewekt.
Dit heeft tot gevolg dat de reputatie van klaagster wordt aangetast en haar belangen worden geschaad. Dit klemt te meer nu topmedewerkers van klaagster in het kader van de maatschappelijke discussie rond optieregelingen in verband met hun inkomsten in de publieke belangstelling staan.

Betrokkene betoogt dat in het gesprek met De Bruijne aan Van Grinsven bleek dat de nieuwe regeling buiten het nieuwe belastingregime voor opties valt. De regeling is door klaagster opgezet na, en in reactie op, dat nieuwe, zwaardere regime.
Voorts is in het artikel uitgelegd wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen opties en de nieuwe Aegon-regeling. Aangezien de deelnemers aan deze regeling alleen als bij afloop sprake is van koerswinst belasting betalen, lopen zij geen risico's bij koersdalingen en kan de regeling als "risicoloos" worden gekwalificeerd.
Betrokkene wijst er op dat in de Volkskrant van 24 april 1999 uitvoerig aandacht is besteed aan een, met de regeling van klaagster vergelijkbare, regeling van ING. Uit dit artikel, dat ter zitting is overgelegd, blijkt dat ook ING in een brief aan haar werknemers de regeling als optieregeling aanduidt.
De kop dekt, aldus betrokkene, de lading van het artikel. Het woord "omzeilen" is een neutrale term, alhoewel achteraf bezien wellicht een betere kop denkbaar zou zijn geweest. Ook het artikel zelf, waarin begrepen het gebruik van de woorden "constructie" en "aan het licht kwam", kan niet als tendentieus of feitelijk onjuist worden aangemerkt. Dat wellicht een enkele lezer het artikel verkeerd interpreteert of niet volledig begrijpt, kan niet aan betrokkene worden toegerekend. In ieder geval kan betrokkene niet worden verweten dat hij moedwillig bij de lezer de indruk heeft gewekt dat klaagster onoirbaar handelt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De regeling waarover het artikel gaat heeft geen betrekking op opties in de zin van de Nederlandse belastingwetgeving. De rechten die onder die regeling aan de werknemers van klaagster worden toegekend vallen dus niet onder het nieuwe, zwaardere, belastingregime voor opties. Dat feit wordt in de kop van het artikel kortweg en, naar klaagster moet worden toegegeven, enigszins ongenuanceerd, aangeduid als "Aegon omzeilt fiscus met risicoloze optie". Enigszins ongenuanceerd omdat, zoals het artikel overigens duidelijk vermeldt, ook bij die "risicoloze optie" over eventuele koerswinst wel degelijk inkomstenbelasting wordt geheven.
Klaagster maakt in de eerste plaats bezwaar tegen het gebruik van de term "omzeilt", maar de Raad acht dat bezwaar ongegrond. "Omzeilen" kan, anders dan klaagster meent, niet op een lijn worden gesteld met "ontduiken", welke term met name in verband met belastingen de betekenis heeft van handelen in strijd met de (strekking van de) wet. Degene die gebruik maakt van de in het artikel aan de orde gestelde regeling blijft - geheel overeenkomstig de aan de regeling ten grondslag liggende bedoeling - buiten het gebied waar het (nieuwe, zwaardere) belastingregime voor opties van toepassing is, en omzeilt in die zin dus dat gebied. Van onjuist of tendentieus gebruik van het woord "omzeilen" kan hier niet worden gesproken, ook niet indien mede in aanmerking wordt genomen dat het artikel de regeling aanduidt als een "optieconstructie, die (...) aan het licht kwam".
De Raad kan klaagster evenmin volgen in haar bezwaren tegen het gebruik van het woord "optie(-regeling)". In (fiscaal-)juridische zin is hier van een optie weliswaar geen sprake, maar dat betekent nog niet dat betrokkene door dat woord desondanks te gebruiken zich heeft schuldig gemaakt aan onzorgvuldige berichtgeving. Het woord "optie(-regeling)" heeft immers niet alleen een (fiscaal-)juridische betekenis, het wordt meer in het algemeen gebruikt ter aanduiding van regelingen waarbij aan werknemers (mede) door de koers van het aandeel beïnvloede rechten worden toegekend, zoals ook blijkt uit het door betrokkene genoemde voorbeeld van ING. Het artikel maakt duidelijk onderscheid tussen opties in deze (ruime) zin en opties in (fiscaal-)juridische zin, in het artikel ook wel aangeduid als "de normale optieregeling", "de gewone Nederlandse optieregeling" of "de traditionele optie", en laat er geen twijfel over bestaan dat het bij de regeling van klaagster niet gaat om opties van de laatste soort.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, mw. J.A. Koerts, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-70