1999/69 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Y.M.A. Gijrath

tegen

P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 4 mei 1999 met zes bijlagen heeft Y.M.A. Gijrath (klager) een klacht ingediend tegen P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool (betrokkenen).
Hierop heeft F.C.R. Campagne, adjunct-hoofdredacteur, namens betrokkenen gereageerd in een brief van 1 juni 1999.
Klager heeft het klaagschrift aangevuld met vijf producties, die zijn ontvangen op 10 september 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1999. Klager is verschenen, vergezeld van twee collega's, en heeft ter zitting een nadere toelichting overgelegd. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

In Het Parool van 19 februari 1999 is een door P. Vugts geschreven artikel verschenen onder de kop "Een koude douche voor 'het warme menselijke verhaal'". In dit artikel worden de achtergronden beschreven van het faillissement van uitgeverij De Regio Publishers. Klager was tot een aantal maanden voor het faillissement als directeur-uitgever, aandeelhouder en hoofdredacteur van het Joods Journaal aan De Regio Publishers verbonden.

Voorafgaand aan de publicatie heeft klager in een interview aan Vugts zijn toelichting gegeven op de gang van zaken rond het faillissement. Voorts bespraken zij dat in het artikel tevens de mening van een medeaandeelhouder zou worden weergegeven. Op de ochtend voor de publicatie ontving klager van Vugts de reactie van deze medeaandeelhouder, waarbij Vugts vermeldde dat hij bovendien een 'gezamenlijke verklaring' van het personeel van De Regio Publishers had ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft klager telefonisch contact opgenomen met Vugts en hem gevraagd naar de inhoud van de 'gezamenlijke verklaring'. Nadat Vugts hierop voor klager niet bevredigend antwoordde, heeft klager zowel aan Vugts als aan zijn chef verzocht het artikel niet te publiceren.

Het artikel geeft zowel de lezing van klager als die van de medeaandeelhouder (V.) op de gebeurtenissen weer. Klager en de medeaandeelhouder verwijten elkaar over en weer debet te zijn aan het faillissement. Het artikel vermeldt dat de medeaandeelhouder wordt "...geruggesteund door het personeel..." en bevat onder meer de zin "Het 'voltallig personeel' deelt (V.'s) verontwaardiging en schaart zich in een 'gezamenlijke verklaring' achter de man die in haar ogen heeft geprobeerd te redden wat te redden viel."

Na publicatie heeft klager kennisgenomen van de bewuste verklaring. Op het door klager overgelegde afschrift van deze verklaring is afgedrukt, dat deze op 19 februari 1999 om 17.32 uur vanaf de redactie van Het Parool per fax aan klager is verzonden. In de verklaring, die niet is ondertekend, wordt vermeld dat deze afkomstig is van het voltallig personeel. In het gewraakte artikel is een aantal citaten uit de verklaring opgenomen.

Bij brief van 22 februari 1999, gericht aan Het Parool, heeft klager zijn bezwaren tegen de publicatie geuit en verzocht het artikel te rectificeren. Dit verzoek is bij brief van 24 februari 1999 afgewezen, waarbij klager is gewezen op de mogelijkheid om via een ingezonden brief te reageren. Van deze mogelijkheid heeft klager geen gebruik gemaakt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij tijdens het interview met Vugts is overeengekomen, dat hij voorafgaand aan de publicatie op de uitspraken van de medeaandeelhouder mocht reageren. Bovendien zouden zij hebben afgesproken dat in het artikel geen anonieme bronnen werden opgenomen.
Nadat klager op de twee dagen voorafgaand aan de publicatie telefonisch zou hebben verzocht om toezending van de reactie van de medeaandeelhouder, ontving hij deze eerst op de dag van publicatie. Vervolgens deelde Vugts hem mee, dat hij binnen tien minuten diende te reageren. De reactie van klager is echter niet opgenomen in het gewraakte artikel, terwijl een aantal uitspraken van de medeaandeelhouder feitelijk onjuist is.
Voorts is in het artikel melding gemaakt van een 'gezamenlijke verklaring' van het 'voltallig personeel', ondanks de bezwaren van klager hiertegen en zonder dat hij op deze verklaring heeft kunnen reageren. Ook deze verklaring en de daaruit overgenomen citaten bevatten feitelijke onjuistheden. Inmiddels is aan klager gebleken dat de bewuste verklaring door slechts één personeelslid is opgesteld. Van de andere personeelsleden heeft klager - merendeels schriftelijk - vernomen dat zij zich van de verklaring distantiëren.
Klager wijst er ten slotte op, dat hij de uitgave van het Joods Journaal na het faillissement van De Regio Publishers heeft voortgezet en dat een aantal zakelijke contacten hun relatie met hem hebben verbroken.
Door hun handelwijze hebben betrokkenen gehandeld in strijd met de gemaakte afspraken omtrent hoor en wederhoor, aldus klager.

Betrokkenen stellen dat aan klager kenbaar is gemaakt dat zij zouden bepalen aan wie in verband met het faillissement van De Regio Publishers om een reactie zou worden gevraagd. Aan klager is meegedeeld, dat hierbij ook aan personeelsleden werd gedacht. Betrokkenen betwisten dat met klager is overeengekomen dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om op reacties van derden te reageren. Afgesproken is slechts, dat klager vooraf de reactie van de medeaandeelhouder ter informatie zou ontvangen, hetgeen is gebeurd.
Betrokkenen hebben voorts contact gehad met een aantal werknemers, die alleen "off the record" informatie wilden verstrekken. Daarna ontvingen zij de verklaring, waarvan de inhoud overeenkwam met hetgeen zij reeds hadden vernomen. Alhoewel betrokkenen de indruk hadden dat een belangrijk deel van het personeel de verklaring onderschreef, hebben zij niettemin zorgvuldig gehandeld door dit - door het plaatsen van aanhalingstekens - voor rekening van de opstellers te laten.
Naar de mening van betrokkenen kan derhalve niet worden geconcludeerd dat zij afspraken met klager hebben geschonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager heeft zijn klacht ter zitting nader gepreciseerd in die zin, dat het hem erom gaat dat betrokkenen zich niet gehouden hebben aan de in verband met hoor en wederhoor gemaakte afspraak dat hij zou mogen reageren op uitspraken van derden, en met name van zijn medeaandeelhouder.
De Raad, die - wellicht ten overvloede - voorop stelt dat een dergelijke afspraak, indien gemaakt, zonder meer nagekomen dient te worden, acht - mede gelet op de door klager overgelegde brief van 24 februari 1999 van de adjunct-hoofdredacteur van Het Parool - aannemelijk dat klager de door hem gestelde afspraak met Vugts heeft gemaakt. Die brief houdt immers onder meer in dat aan klager na het met hem gehouden interview de gelegenheid zou zijn geboden te reageren op "uitspraken van anderen", waarmee blijkens de inhoud van het artikel slechts uitspraken van de medeaandeelhouder en 'het voltallig personeel' bedoeld kunnen zijn. De Raad moet vaststellen dat betrokkenen zich ook blijkens hun eigen stellingname in de brief van 1 juni 1999, waarin zij hun standpunt met betrekking tot de klacht uiteenzetten, aan die afspraak niet hebben gehouden. Daarmee hebben zij gehandeld in strijd met hun journalistieke verantwoordelijkheid.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 november 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-69