1999/68 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

SSH/Handep BV

tegen

H. Ouwerkerk en de hoofdredacteur van Cobouw

Bij brief van 21 mei 1999 met een bijlage heeft J. Verhage, algemeen directeur, namens SSH/Handep BV (klaagster) een klacht ingediend tegen H. Ouwerkerk en de hoofdredacteur van Cobouw (betrokkenen).
Hierop hebben betrokkenen gereageerd in een brief van 24 juni 1999 met een bijlage. Klaagster heeft bij brief van 5 juli 1999 haar klacht aangevuld, waarop betrokkenen hebben gereageerd bij brief van 6 juli 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1999. Partijen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

In Cobouw is op 14 mei 1999 een door H. Ouwerkerk geschreven artikel verschenen onder de kop "Vermorzeld door de bureaucratie" met als onderkop "De lijdensweg van een steigerbouwer". Het artikel gaat over de terminale ziekte van een oud-werknemer van klaagster en diverse problemen die hij daarbij ondervindt. Klaagster wordt met een aantal van deze problemen in verband gebracht.
Op pagina 3, waar het artikel wordt vervolgd, zijn in een apart kader met de kop "'Werkgever is verantwoordelijk'" de reacties van verschillende bij de kwestie betrokken partijen weergegeven. In dit verband is de naam van een van klaagsters personeelsleden genoemd, die als volgt wordt geciteerd: "Ik wil eerst mijn achterban raadplegen" en "Telefonisch gaan we niet op de zaak in". Tevens is vermeld dat het telefoongesprek met de medewerker heeft geresulteerd in een afspraak met de directie in de week volgend op de publicatie.
De reactie van klaagster is vervolgens op 4 juni 1999 door betrokkenen gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de in het artikel genoemde medewerker in de ochtend van 12 mei 1999 telefonisch door Ouwerkerk is benaderd met het verzoek om een aantal vragen te beantwoorden over de problemen van de zieke oud-werknemer. Onder meer wegens drukke werkzaamheden van haar woordvoerend directeur kon klaagster die dag niet inhoudelijk reageren. De betreffende medewerker heeft Ouwerkerk vervolgens teruggebeld in de middag van 12 mei en meegedeeld dat klaagster in een gesprek op 19 mei haar commentaar wenste te geven.
Klaagster benadrukt dat 13 mei Hemelvaartsdag was en 14 mei een collectieve vrije dag, zodat 12 mei een bijzonder drukke dag was. Zulks had aan Ouwerkerk bekend moeten zijn, aldus klaagster.
Voorts betoogt klaagster dat zij op 12 mei van een andere betrokken instantie heeft vernomen dat het artikel zou worden geplaatst met het commentaar van deze instantie, doch zonder vermelding van de naam van klaagster.
Klaagster acht de door betrokkenen gestelde termijn om voorafgaand aan de publicatie te reageren onredelijk kort. Door het gewraakte artikel te publiceren zonder de reactie van klaagster af te wachten hebben betrokkenen onzorgvuldig gehandeld. Zij is van mening dat betrokkenen misbruik hebben gemaakt van een tragische kwestie en aldus niet integer hebben gehandeld. Het artikel bevat feitelijke onjuistheden en geeft een onjuist beeld.

Betrokkenen stellen dat zij in de ochtend van 12 mei 1999 hebben gesproken met de zieke oud-werknemer en zijn broer. Naar aanleiding van dit interview besloten betrokkenen het relaas van de werknemer "sec" weer te geven en de eventuele reacties van betrokken instanties in een apart kader te plaatsen. Vervolgens is aan een medewerker van klaagster om commentaar gevraagd, die hierop liet weten nog geen inhoudelijke reactie te kunnen geven en een afspraak te willen maken voor een week later. Daarop is aan de medewerker meegedeeld dat de publicatie niet zou worden uitgesteld.
Betrokkenen betwisten dat sprake zou zijn geweest van publicatie zonder vermelding van de naam van klaagster. Klaagster had de door haar ontvangen informatie ter zake bij betrokkenen kunnen verifiëren en, na weerlegging van deze informatie door betrokkenen, alsnog op 12 mei haar reactie kunnen geven.
Door de afspraak met klaagster in het artikel te vermelden is voldoende duidelijk gemaakt dat er op de publicatie zou worden teruggekomen. Overigens is het vooral aan klaagster zelf te wijten dat haar reactie niet eerder is gepubliceerd, omdat zij de afspraak van 19 mei heeft afgezegd. Op aandringen van betrokkenen heeft alsnog op 31 mei een gesprek plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in de publicatie van 4 juni. Betrokkenen benadrukken in dit verband, dat de reactie van klaagster tevoren voor lezing op feitelijke onjuistheden aan klaagster is aangeboden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is hoor en wederhoor is toegepast, voor zover nodig.
Betrokkenen hebben klaagster op 12 mei 1999, twee dagen voor de publicatie van het artikel, telefonisch benaderd met het verzoek om een reactie. Toen klaagster niet eerder dan op een termijn van een week met haar reactie wilde komen, hebben betrokkenen - mede gelet op de slechte gezondheidstoestand van de geïnterviewde oud-werknemer - daarin geen aanleiding gezien tot enig uitstel van de publicatie. Klaagster wist dit in ieder geval in de namiddag van 12 mei 1999, maar die wetenschap heeft haar er niet toe gebracht haar reactie te bespoedigen; naar blijkt uit haar antwoord op de brief van betrokkenen omdat zij op grond van mededelingen van derden ervan uitging dat haar naam in het artikel niet zou worden genoemd.
Een en ander in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat betrokkenen enige regel van behoorlijk journalistiek handelen hebben geschonden door op 14 mei 1999 alleen het verhaal van de oud-werknemer te publiceren, waarbij echter wel moet worden opgemerkt dat het gezien de inhoud van het te publiceren artikel passend zou zijn geweest dat zij zich bij hun pogingen een reactie van de zijde van klaagster te verkrijgen rechtstreeks tot haar directie zouden hebben gewend.
Dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat en een onjuist beeld van de gang van zaken geeft, alsmede dat betrokkenen niet integer hebben gehandeld, zijn stellingen die door klaagster niet nader zijn toegelicht en al om die reden niet tot gegrondbevinding van de klacht kunnen leiden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Cobouw te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 oktober 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-68