1999/67 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 12 juni 1999 met twee bijlagen heeft X een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (betrokkene). Hierop heeft R. Mulder, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 29 juni 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1999, in aanwezigheid van klager. Betrokkene is niet verschenen. Klager heeft ter zitting een toelichtende notitie, een afschrift van het hierna te noemen vonnis van de rechtbank te Leeuwarden alsmede een afschrift van zijn brief aan betrokkene van 1 mei 1999 overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 12 maart 1999 is in de Leeuwarder Courant een artikel gepubliceerd onder de kop "Internist moet ƒ 50.000,-- betalen na misbruik". Het artikel betreft de uitspraak die op 10 maart 1999 is gedaan door de rechtbank te Leeuwarden in een civiele procedure tussen klager, die in dat artikel wordt aangeduid als "Een internist van het Antoniusziekenhuis in Sneek", en een ex-patiënte. In die procedure vorderde de ex-patiënte onder meer schadevergoeding van klager, stellende - kort gezegd - dat tussen haar en klager, als gevolg van het feit dat klager misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke positie waarin zij als patiënte ten opzichte van hem verkeerde, een jarenlange seksuele relatie heeft bestaan. Daarbij zou volgens de ex-patiënte eenmaal geslachtsgemeenschap hebben plaatsgevonden.
In het vonnis wordt onder de vaststaande feiten onder meer vermeld, dat klager in 1996 ruim een maand in voorlopige hechtenis heeft gezeten, dat hij onvoorwaardelijk buiten vervolging is gesteld ter zake van de verdenking van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, dat hij voorwaardelijk buiten vervolging is gesteld ten aanzien van de verdenking zich als geneeskundige te hebben schuldig gemaakt aan ontucht met een patiënte en dat hij in verband met die buitenvervolgstelling ƒ 7.500,-- heeft moeten betalen, welk bedrag ten goede is gekomen aan de ex-patiënte.
De rechtbank heeft geoordeeld dat klager zijn verplichtingen uit hoofde van zijn behandelrelatie met de ex-patiënte niet is nagekomen en (tevens) onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij overwoog daartoe onder meer: "De rechtbank is echter van oordeel dat de verwording van die uitgebreide relatie tot een waarin sexuele contacten ontstonden en regelmaat werden, terwijl de arts-patiënt-relatie voortduurde, door (klager) voorkomen had moeten worden."
Klager werd veroordeeld tot betaling van bovengenoemd bedrag alsmede tot vergoeding van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen vanaf 1 september 1991. Klager heeft hoger beroep ingesteld.

Het artikel begint als volgt: "Een internist van het Antoniusziekenhuis in Sneek is door de Leeuwarder rechtbank veroordeeld tot het betalen van ƒ 50.000, -- aan een patiënte met wie hij jarenlang een seksuele relatie had. De vrouw had een incestverleden en verkeerde in grote psychische nood. De arts heeft daar misbruik van gemaakt, oordeelt de rechtbank." Het bevat voorts onder meer de volgende passages: "Het misbruik begon al snel, eerst met omhelzingen en later gevolgd door seksuele handelingen en uiteindelijk ook gemeenschap." en "Pas in 1996 durfde de patiënten (de Raad leest: patiënte, nu het hier om een kennelijke schrijffout gaat) aangifte te doen. De arts heeft een maand in voorlopige hechtenis gezeten. Hij kwam er met een voorwaardelijke straf vanaf en moest ƒ 7.500,-- boete betalen. Het tuchtcollege berispte de man." en (de slotzin van het artikel) "In de tijd dat de arts de relatie met de vrouw had, heeft zij twee keer een zelfmoordpoging gedaan."

Bij brief van 1 mei 1999 heeft klager aan betrokkene meegedeeld dat hij bezwaren heeft tegen de wijze en inhoud van de berichtgeving en dat hij ten gevolge van het artikel schade lijdt. Op het verzoek van klager om in overleg tot een oplossing te komen, heeft betrokkene niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het gewraakte artikel de indruk wordt gewekt, dat louter het oordeel van de rechtbank wordt weergegeven alsmede dat alle vermelde feiten door de rechtbank als vaststaand zijn aangemerkt. Dat is echter niet het geval. Het artikel bevat tevens door de ex-patiënte geuite beschuldigingen, waarvan door de wijze van redigeren de indruk wordt gewekt dat deze door de rechtbank als juist zijn aanvaard. Klager wijst in dit verband onder meer op de mededelingen dat er gemeenschap heeft plaatsgevonden, dat hij er met een voorwaardelijke straf en ƒ 7.500,-- boete vanaf is gekomen, en op het causale verband dat zijns inziens in het artikel wordt gelegd tussen de zelfmoordpogingen en zijn handelen. Door het gebruik van de, door de rechtbank niet gebezigde, term "misbruik" in samenhang met "gemeenschap" en de mededeling dat hij er met een voorwaardelijke straf vanaf is gekomen wordt de indruk gewekt dat er sprake zou zijn van verkrachting.
Klager acht het artikel nodeloos sensationeel, naar strekking en inhoud onjuist en zeer schadelijk voor zijn reputatie.

Betrokkene betoogt dat hij op journalistiek correcte wijze de motivering van het Leeuwarder vonnis heeft weergegeven en wijst erop dat klagers visie op het gebeurde in het artikel wordt vermeld. Voor zover het artikel al negatieve gevolgen voor klager zou hebben, is dat volgens betrokkene allereerst het gevolg van de handelwijze van klager zelf, zoals deze volgens rechtbank en tuchtcollege is geweest. Van een nodeloos grievende publicatie is volgens betrokkene geen sprake.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

1. Het artikel betreft een ernstig feit, door de rechtbank omschreven als de verwording van een (uitgebreide) medische behandelrelatie tot een waarin seksuele contacten ontstonden en regelmaat werden. Bij de berichtgeving over een dergelijk beladen onderwerp dient bijzondere zorgvuldigheid aan de dag gelegd te worden. Vergelijking van het artikel met het vonnis naar aanleiding waarvan het geschreven is, leert dat die norm - behoudens een hierna te vermelden uitzondering - niet is geschonden. Aan klager moet worden toegegeven dat in het artikel niet steeds scherp wordt onderscheiden tussen de door de ex-patiënte gestelde en de naar het oordeel van de rechtbank vaststaande feiten, maar dat leidt - behoudens ten aanzien van bedoelde uitzondering - niet tot gegrondbevinding van de klacht. De kern daarvan behelst het verwijt dat in het artikel gesproken wordt over "misbruik" terwijl die term in het oordeel van de rechtbank niet voorkomt. Naar de letter genomen mag dat juist zijn, maar "misbruik" kan niet een onjuiste kwalificatie worden genoemd van een ontwikkeling, die door de rechtbank wordt aangemerkt als een aan klager toe te rekenen verwording van een medische behandelrelatie tot een waarin seksuele contacten ontstonden en regelmaat werden, terwijl de arts-patiënt-relatie voortduurde. De juridisch niet geheel juiste terminologie waarin in het artikel over de afdoening van de strafzaak tegen klager wordt bericht - klager heeft niet een voorwaardelijke straf en een boete van ƒ 7.500,-- opgelegd gekregen, maar is buiten vervolging gesteld onder de voorwaarde dat hij ƒ 7.500,-- aan de ex-patiënte betaalde - vormt in het geheel van het artikel niet meer dan een onbeduidende onzuiverheid. Waar het wat dit punt betreft uiteraard om gaat, is dat de zaak ook in strafrechtelijk opzicht voor klager niet zonder gevolgen is gebleven, en dat hij in dat verband een betaling van ƒ 7.500,-- heeft moeten doen. Ook kan de Raad klager niet volgen daar waar deze in het artikel een causaal verband leest tussen zijn handelen en de zelfmoordpogingen van de ex-patiënte.
2. De hiervoor bedoelde uitzondering betreft het gebruik van het woord "gemeenschap" in de zin luidende: "Het misbruik begon al snel, eerst met omhelzingen en later gevolgd door seksuele handelingen en uiteindelijk ook gemeenschap." Hier wordt de indruk gewekt dat naar het oordeel van de rechtbank het "misbruik" mede betrekking zou hebben gehad op gemeenschap. Dat is door de ex-patiënte wel gesteld ("een keer"), maar door de rechtbank niet als vaststaand aangenomen. Hoewel de Raad niet de opvatting van klager deelt dat de zo-even geciteerde zin het verwijt van verkrachting impliceert, moet worden geoordeeld dat door betrokkene, die moet hebben begrepen welke voor klager extra negatieve lading het artikel door het gebruik van dit woord kreeg, hier niet de vereiste bijzondere zorgvuldigheid in acht is genomen door niet expliciet te stellen dat het hier een beschuldiging van de ex-patiënte betrof en niet een door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit. In zoverre moet de slotsom dan ook zijn dat betrokkene de grenzen heeft overschreven van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht wat het onder punt 2. behandelde onderdeel betreft gegrond en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 oktober 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-67