1999/66 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.M. Oudkerk Pool

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger

Bij brief van 19 mei 1999 met vijf bijlagen heeft A.M. Oudkerk Pool (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (betrokkene). Hierop heeft G.M.J. Bouten, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 15 juli 1999.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1999. Klager is verschenen, vergezeld van W. te Meij. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 20 april 1999 heeft betrokkene een artikel gepubliceerd van de hand van B. Oostra onder de kop "Ministerie opgelicht door bestuursleden Roermondse school". In dit artikel wordt gesteld dat klager als voorzitter van het voormalig bestuur van bedoelde school tezamen met de toenmalig secretaris Te Meij het Vervangings- en Participatiefonds van het Ministerie van Onderwijs heeft opgelicht door een vergoeding te claimen voor nooit door Te Meij verrichte werkzaamheden. Voorts bevat het artikel de voor de beoordeling van de klacht relevante zinsnede "Beide bedragen zijn enkele dagen na de overboeking contant van de rekening gehaald" en de kop van de overlees "Fraude vorig jaar ontdekt". In het artikel wordt nog vermeld dat de stichting Katholiek Onderwijs Roermond zich beraadt op het ondernemen van gerechtelijke stappen tegen klager en Te Meij.

Klager heeft na de publicatie telefonisch contact gehad met B. Oostra en met hem een afspraak gemaakt om de publicatie te bespreken. Nadat klager juridisch advies had ingewonnen heeft hij de afspraak afgezegd bij faxbericht van 22 april 1999, gericht aan betrokkene. In deze fax heeft klager tevens zijn bezwaren tegen het artikel weergegeven en rectificatie verzocht. Bij brief van 27 april 1999 heeft betrokkene dit verzoek afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkene de financiële kwestie op de Roermondse school onvoldoende heeft onderzocht. Volgens klager is bij de door betrokkene benaderde personen enkel geïnformeerd naar werkzaamheden van het bureau Ovimar, terwijl op de school niet bekend was dat Te Meij onder die naam handelde. Indien was gevraagd naar door Te Meij verrichte werkzaamheden dan zouden daarop bevestigende reacties zijn ontvangen. Klager wijst er op dat Te Meij na het verrichten van zijn onderzoek een rapport heeft uitgebracht en ten tijde van zijn werkzaamheden - anders dan betrokkene in zijn bericht vermeldt - geen lid was van het schoolbestuur. Desgevraagd deelt klager mee dat de contante betaling aan Te Meij samenhing met de penibele financiële situatie van de school. Uit navraag zou klager ten slotte hebben begrepen dat door de stichting Katholiek Onderwijs Roermond of derden geen verdere juridische stappen tegen hem worden ondernomen.
Naar de mening van klager wordt in het gewraakte artikel ten onrechte gesuggereerd dat hij voorafgaand aan de publicatie voldoende over de kwestie is gehoord. Er heeft echter slechts een telefoongesprek van twee minuten plaatsgevonden, waarin hem algemene vragen zijn gesteld en zonder dat hem daarbij is meegedeeld dat er de volgende dag een artikel van dergelijke aard zou worden gepubliceerd, aldus klager.
Volgens klager bevat de publicatie derhalve feitelijke onjuistheden en wordt hij ten onrechte afgeschilderd als oplichter en fraudeur. Bovendien meent klager dat onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

Betrokkene stelt dat aan de publicatie van het gewraakte artikel een langdurig onderzoek is voorafgegaan. Volgens betrokkene hebben gesprekken met verschillende direct betrokkenen plaatsgevonden en heeft hij inzage gehad in een uitvoerig dossier. Uit een en ander is genoegzaam gebleken dat Ovimar nooit op de school actief is geweest. De notulen van vergaderingen van het algemeen bestuur van de stichting Katholiek Onderwijs Roermond houden onder meer in dat deze stichting juridisch advies zal inwinnen over de kwestie. De voorzitter van deze stichting heeft recentelijk verklaard dat de zaak tegen het voormalig bestuur van de school wordt doorgezet.
Klager is bovendien voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren doch hij heeft slechts volstaan met de mededeling dat Ovimar wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Ook in gesprekken na de publicatie heeft klager geen duidelijkheid omtrent de kwestie verschaft.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De in het artikel aan het adres van klager geuite beschuldigingen - fraude althans oplichting met betrekking tot een bedrag van ruim NLG 25.000,-- gepleegd als voorzitter van een schoolbestuur - zijn van ernstige aard. Bij het publiceren van dergelijke beschuldigingen dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, teneinde te voorkomen dat hij de beschuldigde als dader brandmerkt nog voordat daartoe voldoende grond bestaat. In dit geval is niet overeenkomstig deze regel gehandeld.
Terwijl de zaak, naar elders in het artikel terloops wordt opgemerkt, bij de stichting Katholiek Onderwijs Roermond nog in onderzoek is, wordt zonder enige terughoudendheid, als ging het om een vaststaand feit, bericht dat klager, wiens naam meteen al in de eerste zin van het artikel voluit wordt genoemd, zich tezamen met de eigenaar van Ovimar heeft schuldig gemaakt aan oplichting van het Vervangings- en Participatiefonds van het Ministerie van Onderwijs. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat betrokkene, in de vorm van de in het artikel genoemde briefwisselingen en verklaringen van "diverse betrokkenen", over de nodige aanwijzingen beschikte dat klager zich aan fraude of oplichting zou hebben schuldig gemaakt, dan nog is de wijze waarop hij daarover heeft gepubliceerd - zonder enige terughoudendheid en zonder de mogelijkheid open te laten dat nader onderzoek een ander licht op de zaak zou kunnen werpen - uit een oogpunt van behoorlijke journalistiek onaanvaardbaar.

Betrokkene heeft onvoldoende weersproken dat voorafgaand aan de publicatie slechts een kort telefoongesprek tussen klager en Oostra heeft plaatsgevonden. Gelet op de inhoud van het door Oostra te publiceren artikel had deze aan klager ruimere gelegenheid behoren te bieden zijn lezing van de gang van zaken te geven en te reageren op briefwisselingen en verklaringen waaruit Oostra concludeerde dat van oplichting dan wel fraude sprake was. Ook de klacht dat van behoorlijk hoor en wederhoor geen sprake is geweest is derhalve gegrond.

Een en ander leidt tot het oordeel dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 oktober 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-66