1999/65 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Floore

tegen

P. van Eijkelenburg (Rotterdams Dagblad)

Bij brief van 9 april 1999 met 18 bijlagen heeft J. Floore (klager) een klacht ingediend tegen P. van Eijkelenburg, werkzaam voor het Rotterdams Dagblad (betrokkene).
Hierop hebben P. van Eijkelenburg en L.P. Pronk, hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad, gezamenlijk gereageerd in een brief van 29 april 1999 met 23 bijlagen.
Klager heeft het klaagschrift aangevuld bij brief van 21 mei 1999 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1999. Zowel klager, bijgestaan door mr. R.A.A. Duk, advocaat te Den Haag, als betrokkene is verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 23 maart 1999 is in het Rotterdams Dagblad een door betrokkene geschreven artikel verschenen dat handelt over de nieuwe directie van de Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam. In dat artikel wordt klager als volgt vermeld:
"....na het gedwongen vertrek van de door (financiële) schandalen en een zwartboek achtervolgde John Floore."

Bij brief van 24 maart 1999, gericht aan het Rotterdams Dagblad, heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel uiteengezet en rectificatie verzocht. Het Rotterdams Dagblad heeft het verzoek bij brief van 29 maart 1999 afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat de berichtgeving van 23 maart 1999 is gebaseerd op oude geruchten uit de periode dat klager aan voornoemde school verbonden was. Met name ten aanzien van het vermelden van "(financiële) schandalen" maakt klager bezwaar. Weliswaar is destijds één financiële kwestie aan de orde geweest, doch in dezelfde periode is uit een door het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen verricht onderzoek gebleken dat van een financieel schandaal geen sprake was.
Door de in het artikel gebezigde zinsconstructie wordt de indruk gewekt dat klager betrokken zou zijn geweest bij meerdere (financiële) schandalen. Voorts wordt door de term "achtervolgde" gesuggereerd dat de vermeende schandalen voortdurend aan de orde zijn gebleven. In het artikel wordt bovendien een verband gelegd tussen het vertrek van klager en de vermeende schandalen. Klager stelt dat een en ander feitelijk onjuist is en overigens dat de gewraakte berichtgeving in de context van het artikel niet noodzakelijk was.
Klager verwijt betrokkene onzorgvuldig te hebben gehandeld door na verloop van jaren nog op een dergelijke manier over hem te berichten. Een en ander heeft volgens klager tot gevolg dat zijn naam ten onrechte in diskrediet is gebracht.

Betrokkene, die in het verleden veelvuldig over klager heeft bericht, stelt dat er ernstige beschuldigingen van financiële aard bestonden tegen het beleid van klager. De gewraakte berichtgeving is volgens betrokkene opgenomen in het kader van de historische achtergrond van het aantreden van de nieuwe directie. Betrokkene heeft desgevraagd ter zitting erkend dat hij op de hoogte was van de uitkomst van het onderzoek van het Ministerie en dat met dit onderzoek de bewuste financiële kwestie - door hem in dat artikel aangeduid als "(financiële) schandalen" - was afgerond. Dat hij hiervan in het onderhavige artikel geen melding heeft gemaakt, is het gevolg van het feit dat de bewuste zinsnede is overgenomen uit een eerder artikel. Tegen deze eerdere berichtgeving heeft klager niet geklaagd, aldus betrokkene.
Betrokkene is van mening dat derhalve geen sprake is van onzorgvuldig handelen en dat er geen reden bestond om tot rectificatie over te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kwestie die door betrokkene in het artikel wordt aangeduid met de term "(financiële) schandalen" is destijds onderzocht door het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. De uitkomst van dat onderzoek - geen aanwijzingen gevonden voor wanbeleid en (subsidie-)fraude - staat voor betrokkene niet ter discussie. Zoals hij ter zitting heeft verklaard is die uitkomst voor hem destijds geen aanleiding tot nader onderzoek geweest: het was een daarmee afgedane zaak. Desondanks heeft betrokkene vier jaar nadien klager afgeschilderd als iemand die blijkbaar nog steeds bij al dan niet nieuwe (financiële) schandalen betrokken is. De slotsom kan daarom geen andere zijn dan dat betrokkene aldus de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschapppelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Rotterdams Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 oktober 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. M.M.P.M. Kreyns en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 1999-65