1999/63 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 8 april 1999 met vijf bijlagen heeft mr. E.J.A. Roeleven, advocaat te Geleen, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (betrokkene).
Hierop heeft G.A.F.M. Straathof, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 16 juni 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 1999 in aanwezigheid van klager.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Het Brabants Dagblad publiceerde op vrijdag 17 juli 1998 een 'overzicht van anderhalf jaar kinderporno'. Als laatste bevatte het overzicht het volgende bericht:

Maart 1997
De hoofdverdachte van een kinderpornozaak in Geleen is door de rechtbank in Maastricht tot dertig maanden celstraf veroordeeld, waarvan vier voorwaardelijk. De 37-jarige man maakte zich schuldig aan seksueel misbruik van drie kinderen en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno. De verdachte zat met vier andere mannen in een door hen opgerichte stichting die pedofilie bespreekbaar wilde maken. In werkelijkheid hielden ze zich bezig met kinderporno.

Dit bericht had betrekking op klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het bericht is volgens klager in strijd met de waarheid. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van drie kinderen en aan vervaardiging of verspreiding van kinderporno. Ook is het volgens hem onjuist dat de genoemde stichting zich met kinderporno bezighield.
Klager heeft bij de rechtbank en ook in hoger beroep door het gerechtshof op één feit na voor alles vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging gekregen. Er resteerde slechts een veroordeling voor ontucht met een kind, waartegen hij inmiddels cassatie heeft ingesteld.
Klager betoogt dat hij zeer herkenbaar is voor lezers die de kwestie, die zowel in de landelijke als de regionale pers veel aandacht kreeg, volgen. Hij ontving vele negatieve reacties, onder meer van zijn vriendin, die in het verspreidingsgebied van het Brabants Dagblad woont. De stichting, waarvan hij bestuurslid is, is in het verspreidingsgebied gevestigd. Klager heeft om een rectificatie van het bericht verzocht, aanvankelijk - direct na verschijning van het bericht - telefonisch, later schriftelijk. Daar werd echter negatief op gereageerd.

Betrokkene verwijst voor zijn verweer naar zijn reactie op het verzoek om rectificatie. Daarin stelt hij dat klager geen belang had bij rectificatie. De berichtgeving dateerde reeds van een half jaar geleden en de woonplaats van klager viel niet onder het verspreidingsgebied van de krant. Bovendien had hij zonder naam, in een veel ruimer overzicht van dit soort zaken, gefigureerd. Herkenbaarheid in het verspreidingsgebied leek betrokkene uitgesloten en rectificatie zou alleen maar voor verwarring zorgen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Als vaststaand, immers niet weersproken, wordt aangenomen dat het gewraakte bericht onjuist is. Ook al is klager niet met naam en toenaam aangeduid, voor bekenden en lezers die de zaak, die veel publiciteit heeft gehad, nauwlettend hebben gevolgd, is hij herkenbaar. Om die reden had klager dan ook belang bij een rectificatie van het bericht. Als hij daarom direct met voldoende kracht van argumenten had verzocht, zou een rectificatie op zijn plaats zijn geweest. Klager heeft echter een half jaar gewacht met een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot rectificatie. Gegeven het feit dat het bericht anoniem was en klager niet woonachtig is in het verspreidingsgebied, waardoor slechts in beperkte kring duidelijk zou zijn op wie de rectificatie betrekking had, acht de Raad de weigering van betrokkene om te rectificeren, gerechtvaardigd. Onder deze omstandigheden zijn daarom geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 oktober 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mw. C.E.J.M. Joosten, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-63