1999/62 ongegrond onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G. Roos

tegen

B. Middelburg

Bij brief van 3 september 1998, gevolgd door een brief met veertien bijlagen van 18 december 1998 en een nadere toelichting per brief van 17 maart 1999 heeft G. Roos te Spakenburg (klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg (betrokkene).
Middelburg heeft hierop gereageerd in een brief van 6 mei 1999, voorzien van twaalf bijlagen.
Daar heeft Roos op geantwoord met een brief van 17 juni 1999. Vervolgens heeft Middelburg met brieven van 7 juli en 15 juli 1999 met drie bijlagen gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 1999 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Middelburg is auteur van het in 1992 verschenen boek 'De Dominee, opkomst en ondergang van mafiabaas Klaas Bruinsma'. Roos is de voormalige lijfwacht van Bruinsma. Hij is eind 1992, begin 1993 als getuige opgetreden in een procedure rond voornoemd boek van Middelburg. Ook heeft hij in verschillende gesprekken met Middelburg onthullingen gedaan over het criminele milieu waarin Bruinsma verkeerde. Middelburg heeft informatie van Roos in zijn boek 'De Dominee' gebruikt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Roos stelt dat Middelburg zich niet aan de met hem gemaakte afspraken heeft gehouden. Zo zou hij Roos tegen de daarover gemaakte afspraken in als bron hebben opgevoerd in zijn boek 'De Dominee'. Bovendien zou de door Middelburg gepubliceerde, aan hem toegeschreven informatie onjuist zijn. De onjuistheden zouden met name betrekking hebben op de door Roos ten behoeve van Middelburg afgelegde getuigenverklaring, die volgens Roos vals is. Volgens Roos was Middelburg daarvan op de hoogte. Hij heeft belang bij een uitspraak over de klacht, omdat Middelburg ook in recente publicaties in Het Parool nog steeds voortborduurt op dezelfde informatie, waarvoor hij Roos als bron opvoert.

Middelburg betoogt dat de klacht geen betrekking heeft op een journalistieke gedraging aangezien hij het boek 'De Dominee' destijds in zijn vrije tijd heeft geschreven. Bovendien zou Roos geen belang meer hebben bij een oordeel over zijn klacht, aangezien hij die pas zes jaar na verschijning van het boek heeft ingediend. Het boek is vooral gebaseerd op een groot aantal artikelen over de 'Bruinsma-groep' die al in Het Parool waren gepubliceerd voordat Middelburg Roos ooit had ontmoet. De afgelopen jaren is er in het Parool met enige regelmaat over Roos gepubliceerd. In slechts twee van die publicaties is zijdelings gerefereerd aan de destijds door Roos aan Middelburg en aan justitie verstrekte informatie. Volgens Middelburg zijn de huidige verklaringen van Roos, die afwijken van zijn destijds afgelegde getuigenverklaring, verzonnen en probeert Roos hem in diskrediet te brengen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor zover de klacht betrekking heeft op het door Middelburg in zijn vrije tijd geschreven boek, oordeelt de Raad dat hij niet bevoegd is om daarover te oordelen. Artikel 4, eerste lid, van de Statuten van de Raad verstaat onder journalistieke gedraging een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Onder journalist moet blijkens het tweede lid van artikel 4 worden verstaan degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van een aantal limitatief opgesomde publiciteitsmedia, zoals dagbladen en tijdschriften. In die opsomming komen boeken niet voor.

Voor het overige overweegt de Raad dat na zoveel jaren, in deze context, uit het geheel van verdichtsels niet meer kan worden vastgesteld wat het waarheidsgehalte is van de beweringen van Roos. Ook de aard en omvang van de destijds tussen Roos en Middelburg gemaakte afspraken kan de Raad niet vaststellen.

BESLISSING

De Raad verklaart zich niet bevoegd voor zover de klacht betrekking heeft op het door Middelburg geschreven boek en acht de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 oktober 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mw. C.E.J.M. Joosten, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-62