1999/58 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.A. Passchier, namens het bevoegd gezag van scholengemeenschap De Meergronden

tegen

FOX TV

Bij brief van 12 april 1999 heeft mr. A.G. Kerkhof namens R.A. Passchier, rectrix van de openbare scholengemeenschap De Meergronden te Almere en vertegenwoordigster van het bevoegd gezag van deze school (klaagster) een klacht ingediend tegen FOX TV (betrokkene). Per separate post is een videoband toegezonden. In een brief van 3 mei 1999 heeft mr. E.P.A. Keyzer namens FOX TV op de klacht gereageerd. Tussen de advocaten van partijen zijn, onder toezending van kopie├źn aan de Raad, nog nadere brieven van respectievelijk 19 mei 1999 en 25 mei 1999 gewisseld.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 1999. Klaagster is verschenen tezamen met haar advocaat mr. Kerkhof. Namens betrokkene is verschenen H. Severijns. Mr. A.G. Kerkhof heeft de klacht toegelicht aan de hand van pleitnotities. Tijdens de zitting is de videoband bekeken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 11 maart 1999 heeft een door betrokkene ingeschakelde productiemaatschappij in de omgeving van De Meergronden opnamen gemaakt voor het onderdeel "De pot op" uit het programma "ZAK". In genoemd onderdeel van dit programma worden jongeren, zittend op een wc-pot met in de hand een wc-borstel bij wijze van microfoon, in de gelegenheid gesteld hun ongenoegen over bepaalde personen te uiten.

Voorafgaand aan de opnamen is door de programmamakers toestemming gevraagd aan klaagster om de opnamen in de school te doen plaatsvinden en de opnamen aan te kondigen door het ophangen van affiches in de school. Klaagster heeft geen toestemming gegeven voor het maken van opnamen in de school en heeft ten aanzien van de affiches gezegd deze eerst te willen zien alvorens een beslissing te nemen over het ophangen daarvan in de school. De affiches zijn vervolgens zonder overleg opgehangen en om die reden door klaagster verwijderd.

De opnamen hebben plaatsgevonden op een donderdagmiddag vanaf circa 15.00 uur op een marktplein in de omgeving van de school. De uitzending van de gemaakte opnamen heeft plaatsgevonden op verschillende dagen in de week van 15 maart 1999.

In de uitzendingen zijn leerlingen van De Meergronden aan het woord gelaten. Daarbij is de naam van de scholengemeenschap genoemd en zijn jegens met naam en toenaam genoemde docenten van De Meergronden diverse beledigingen en beschuldigingen geuit. Tijdens een fragment waarin enkele leerlingen zich op positieve wijze uitlaten over een met naam en toenaam genoemde docent, is diagonaal in hoofdletters over het beeldscherm de tekst "leugenaars!" geprojecteerd.

Klaagster heeft op 18 maart 1999 contact opgenomen met FOX TV en zich beklaagd over de inhoud van de uitzendingen. FOX TV heeft, zich beroepend op de vrijheid van meningsuiting, in dit telefoongesprek geen aanleiding gezien de nog voor de resterende dagen van die week geplande uitzendingen te staken. Voorts is het programma, ondanks een in het verweerschrift van 3 mei 1999 gedane toezegging van FOX TV dit niet te doen, herhaald op 10 mei 1999. Het programma "De pot op" is inmiddels volledig gestaakt omdat het een te lage kijkdichtheid had.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster meent dat met het (landelijk) uitzenden van fragmenten waarin door leerlingen van De Meergronden met naam en toenaam genoemde docenten op onheuse en schofferende wijze worden bespot, de grenzen van journalistieke fatsoensnormen zijn overschreden. Daarbij is volgens klaagster ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de met name genoemde docenten, die haar, naar haar zeggen, uitdrukkelijk steunen in deze klacht. Klaagster stelt dat de leerlingen door de programmamakers zijn aangezet tot het doen van dergelijke uitlatingen en merkt in dit verband op dat het hier gaat om minderjarigen, grotendeels zelfs afkomstig uit de onderbouw. Het had naar de mening van klaagster op de weg van de programmamakers gelegen persoonlijk bedoelde, kwetsende opmerkingen niet voor uitzending in aanmerking te laten komen. Klaagster wijst erop dat de docenten niet in de gelegenheid zijn gesteld zich te verweren of een reactie te geven op de uitlatingen van hun leerlingen; de school noch de docenten hebben enige invloed kunnen uitoefenen op hetgeen heeft plaatsgevonden.

Betrokkene stelt dat de Raad niet bevoegd is van de klacht kennis te nemen omdat FOX TV op generlei wijze kan worden aangemerkt als journalist in de zin van de statuten van de Raad. Voorts meent betrokkene dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. Betrokkene voert in dit verband aan dat slechts namen van docenten zijn genoemd en niet de naam van de school, zodat klaagster geen rechtstreeks belanghebbende is bij de klacht. Ten aanzien van de inhoud van de klacht stelt betrokkene dat hier sprake is van een programma dat op satirische wijze de belevingswereld van jongeren schetst. Niet alle opnamen worden voorafgaand aan de uitzending bekeken; of dat met de hier aan de orde zijnde opnamen is gebeurd is niet bekend. Echter ook bij beoordeling achteraf van de hier gewraakte uitzendingen meent betrokkene dat deze de toets der kritiek kunnen doorstaan. Betrokkene wijst er in dit verband op dat de uitlatingen zijn gedaan door de leerlingen zelf. Zij hebben volgens betrokkene een eigen verantwoordelijkheid waarvoor betrokkene en de programmamakers niet aansprakelijk kunnen worden gehouden. Er is hier geen aanleiding voor een inperking van de vrijheid van meningsuiting, aldus betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ten aanzien van de bevoegdheid is allereerst van belang dat onder het begrip journalistiek mede begrepen wordt het maken van radio- en televisieprogramma's. Ook het rangschikken en samenstellen van een programma is een activiteit die in dit verband niet kan worden onderscheiden van een journalistieke activiteit. Het programma dat hier aan de orde is, ligt tegen de grens aan van hetgeen onder het begrip "rubriek van informatieve aard" kan worden geschaard als bedoeld in artikel 4 lid 2 sub c van de statuten. Nu de programmamakers uitnodigen tot het ventileren van meningen welke achtereenvolgens worden geregistreerd, geredigeerd en uitgezonden, is sprake van een journalistiek programma van informatieve aard, zelfs als het resultaat primair wordt gepresenteerd als amusementsprogramma. De Raad is derhalve bevoegd van de klacht kennis te nemen.

Met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer is ter zitting gebleken dat, anders dan betrokkene in het verweerschrift stelt, niet alleen de naam van enkele individuele docenten, maar ook de naam van de school in de uitzending is genoemd. Voorts is, nog los van het feit dat klaagster ter zitting heeft gesteld dat de betrokken docenten haar steunen in deze klacht, met het noemen van namen van docenten op de hier aan de orde zijnde wijze ook het belang van de school als zodanig in het geding. Klaagster moet dan ook als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt en is ontvankelijk in haar klacht.

Gegeven de omgeving waarin het programma werd opgenomen is het (evident op jongeren gerichte) programma kennelijk niet serieus bedoeld. Dat biedt echter nog geen vrijbrief om uitlatingen waarin herkenbare mensen onnodig worden gekwetst onverkort uit te zenden. De Raad vat het begrip satire niet zo op dat dit programma daaronder kan worden geschaard. De programmamakers en/of uitzendorganisatie hadden behoren te selecteren en die fragmenten waarin herkenbare, met naam en toenaam genoemde personen op grove wijze worden beledigd - zonder dat deze uitlatingen in een functionele context worden geplaatst welke die uitlatingen verklaarbaar of begrijpelijk maken - uit de opnamen moeten verwijderen of in elk geval onhoorbaar moeten maken alvorens tot uitzending over te gaan. De grenzen van hetgeen naar journalistieke maatstaven verantwoord is, zijn hier overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in een uitzending van Fox TV.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 september 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof.mr. E.C.M. Jurgens, drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en mw. C.J.E.M. Joosten, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-58