1999/57 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

De heer en mevrouw Schuitmaker

tegen

HP/De Tijd

Bij brief van 12 februari 1999 met één bijlage heeft de Stichting Slachtofferhulp Zuid-Holland Zuid namens de heer en mevrouw Schuitmaker (klagers) een klacht ingediend tegen HP/De Tijd (betrokkene). In een brief van 8 maart 1999 met één bijlage heeft de Stichting Slachtofferhulp het tweede onderdeel van de klacht nader toegelicht. Bij brief van 7 april 1999 met één bijlage heeft B. Vuijsje, hoofdredacteur van HP/De Tijd op de klacht gereageerd. Klagers hebben bij brief van 16 april 1999 het tweede onderdeel van de klacht ingetrokken en nog aanvullende stukken, in het bijzonder een groot aantal getuigenverklaringen, overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 1999. Klagers zijn verschenen tezamen met een aantal familieleden en andere geïnteresseerden. Namens betrokkene zijn verschenen B. Vuijsje en R. Visser. Klagers hebben de klacht toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In de nacht van 9 op 10 januari 1999 heeft in Gorinchem een schietpartij plaatsgevonden waarbij Froukje Schuitmaker, dochter van klagers, dodelijk gewond is geraakt. In de media is hieraan veel aandacht besteed. Klagers hebben besloten de pers te weren bij de begrafenis van Froukje en de daaraan voorafgaande kerkdienst op 16 januari 1999. Nu de kerk gelegen is in de gemeente Gorinchem en de begraafplaats in Sleeuwijk, gemeente Werkendam, hebben zij hun wensen dienaangaande te kennen gegeven aan de burgemeesters van genoemde gemeenten. De verdere uitvoering van een en ander is aan genoemde gemeenten overgelaten. De gemeente Gorinchem heeft een verbod tot fotograferen in de kerk in haar woordvoering opgenomen en zorggedragen voor het plaatsen van dranghekken in de omgeving waarachter de pers mocht plaatsnemen. De gemeente Werkendam heeft een speciale beheersverordening uitgevaardigd waarin het fotograferen op de begraafplaats werd verboden. Politieagenten en persvoorlichters ter plaatse zouden het verbod handhaven en eventueel aanwezige pers naar de nabijgelegen dijk verwijzen.

Freelance fotograaf R. Visser verzorgt voor betrokkene wekelijks de rubriek "Hier in Holland". Deze rubriek betreft een twee pagina's grote foto die aanknoopt bij het nieuws dat Nederland op dat moment beweegt. Betrokkene heeft Visser daags voor de uitvaart van Froukje Schuitmaker gevraagd van die gebeurtenis een foto te leveren. Visser heeft op 16 januari eerst vanachter de dranghekken foto's gemaakt bij de kerk en is vervolgens, als een van de eerste journalisten, tezamen met zijn vriendin naar de begraafplaats gegaan. Zijn camera's heeft hij onder zijn jas gehouden. Hij is bij de toegang tot de begraafplaats niet aangesproken of tegengehouden door de daar aanwezige agenten.

Visser is als enige journalist op de begraafplaats aanwezig geweest. De overige pers heeft op de dijk gestaan. Visser heeft op zeer korte afstand van het graf foto's gemaakt van de begrafenis. Hij is door een aantal scholieren op zijn gedrag aangesproken, doch heeft zich daarvan niets aangetrokken. Bij de uitgang is hij door een inmiddels gewaarschuwde agent op de gang van zaken aangesproken en is hem gevraagd zijn films in te leveren. Visser heeft dat niet gedaan, stellende dat hij niet wist dat hij geen foto's had mogen maken. Hij heeft wel zijn naam opgegeven en gezegd in wiens opdracht hij werkte. De agent heeft hem daarop laten gaan.

Op maandag 18 januari 1999 heeft de persvoorlichter van de politie, H. Ketelaar, telefonisch contact opgenomen met B. Vuijsje, hoofdredacteur van betrokkene. Hij heeft gezegd namens de familie Schuitmaker te bellen, heeft Vuijsje de toedracht rond de foto's uiteengezet en Vuijsje gevraagd geen op het kerkhof gemaakte foto te plaatsen. Vuijsje heeft daarop gezegd eerst het verhaal van Visser te willen horen. Na overleg met Visser heeft Vuijsje teruggebeld en zich erop beroepen dat Visser niet wist dat geen foto's mochten worden gemaakt. Vuijsje deelde mee om die reden een van de foto's te willen plaatsen, maar stelde voor de minst confronterende uit te kiezen en deze eerst aan Ketelaar toe te faxen zodat deze zich daarover ook een oordeel kon vormen. Circa 10 minuten na het zenden van de fax heeft Vuijsje Ketelaar gebeld en gevraagd wat deze van de foto vond. Deze heeft gezegd dat duidelijk te zien was dat de foto - tegen de wens van de familie - op het kerkhof was gemaakt, maar noemde de foto op zich decent.
Op dinsdag 19 januari 1999 heeft mevrouw Schuitmaker, die inmiddels door Ketelaar over de kwestie was geïnformeerd, contact opgenomen met Vuijsje en geprotesteerd tegen het plaatsen van de foto.

In de editie van 22 januari 1999 is de door Vuijsje aan Ketelaar gefaxte foto geplaatst, gemaakt van korte afstand van het graf.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van mening dat het optreden van Visser zowel naar maatstaven van algemeen maatschappelijk fatsoen alsook naar maatstaven van professioneel ethisch handelen beneden de maat is. Volgens klagers wist of kon Visser weten dat hij op de begraafplaats niet mocht fotograferen. Hij heeft zich niets aangetrokken van het feit dat hij de enige aanwezige journalist was en door omstanders op zijn gedrag werd aangesproken. Ook na afloop was hij niet bereid de films in te leveren. Klagers verwijten betrokkene dat deze onder de gegeven omstandigheden de foto heeft geplaatst, temeer nu hiertegen bezwaar is gemaakt op maandag 18 januari via de politiewoordvoerder en op dinsdag 19 januari door mevrouw Schuitmaker zelf.

Betrokkene is van mening voldoende zorgvuldig te werk te zijn gegaan. Visser stelt voorafgaand aan de begrafenis contact te hebben opgenomen met de gemeente Gorinchem. De voorlichtster heeft hem meegedeeld dat in de kerk niet mocht worden gefotografeerd, maar heeft niets gezegd over een dergelijk verbod bij de begrafenis. Zij heeft hem, zo stelt Visser, zelfs uitgelegd hoe hij bij de begraafplaats moest komen. Bij de begraafplaats is hem uit niets gebleken van een verzoek aan de pers om op afstand te blijven. Hoewel hij zijn camera's onder zijn jas hield in verband met de regen, was hij door zijn fototas duidelijk herkenbaar als fotograaf, aldus Visser. Desondanks is hij niet bij de ingang aangesproken. Hij heeft wel enkele andere fotografen op de dijk zien staan, maar meende dat zij de stoet bij aankomst wilden fotograferen. Visser stelt dat hij tegen boze reacties van omstanders in de loop der jaren is gehard, zodat hij zich daar niet veel van heeft aangetrokken. Pas bij het verlaten van de begraafplaats is volgens Visser voor het eerst expliciet tegen hem gezegd dat hij in het geheel niet op de begraafplaats had mogen fotograferen. Omdat hij dit pas achteraf hoorde zag hij op dat moment geen aanleiding zijn films in te leveren, wel om kenbaar te maken in wiens opdracht hij de foto's gemaakt had.
Ten aanzien van de verdere gang van zaken stelt Vuijsje dat hij bij de beslissing de foto te plaatsen is afgegaan op het gesprek met woordvoerder Ketelaar, die naar zijn zeggen namens de familie sprak en die het met hem eens was dat de foto zeer decent was. Toen mevrouw Schuitmaker de volgende dag zelf belde om te protesteren tegen het plaatsen van de foto, werd het tijdschrift reeds gedrukt en was het plaatsen van de foto niet meer terug te draaien, aldus Vuijsje.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Visser heeft evident de wens van de familie overtreden dat op de begraafplaats niet zou worden gefotografeerd. Indien Visser op de hoogte was van het verbod om op de begraafplaats te fotograferen, zou zijn handelen in strijd zijn met hetgeen naar maatstaven van journalistieke zorgvuldigheid aanvaardbaar is. Het is de Raad echter niet gebleken dat Visser van het verbod op de hoogte was. Noch is gebleken dat hij door de voorlichtster van de gemeente Gorinchem hierop is gewezen, noch dat hem dit bij het betreden van de begraafplaats door het bevoegd gezag is meegedeeld. Evenmin was het verbod tot fotograferen door een bord of andere mededeling kenbaar gemaakt bij de ingang van de begraafplaats.

Woordvoerder Ketelaar vertegenwoordigde in het gesprek van maandag 18 januari zowel het bevoegd gezag alsook, naar hij Vuijsje heeft meegedeeld, de familie Schuitmaker. Mevrouw Schuitmaker heeft ter zitting bevestigd dat zij de heer Ketelaar haar belangen op dit gebied had toevertrouwd. Betrokkene mocht er dan ook van uitgaan dat hij Ketelaar als gesprekspartner kon beschouwen. Ketelaar heeft de hem toegefaxte foto decent genoemd. Betrokkene mocht hierop afgaan. Het komt de Raad niet ongeloofwaardig voor dat toen mevrouw Schuitmaker zelf alsnog tegen het plaatsen van de foto protesteerde, de desbetreffende oplage van HP/De Tijd reeds werd gedrukt. Op dat moment kon van betrokkene niet meer gevergd worden het publiceren van de foto te voorkomen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in HP/De Tijd.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 september 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof.mr. E.C.M. Jurgens, drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en mw. C.J.E.M. Joosten, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-57