1999/55 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Gemeente Venlo

tegen

E. Nordholt, J. Olde Kalter en Uitgeverij Dagblad De Telegraaf B.V.

Bij brief van 23 december 1998 met 7 bijlagen heeft de Gemeente Venlo (klaagster) een klacht ingediend tegen E. Nordholt, J. Olde Kalter en Uitgeverij Dagblad De Telegraaf B.V. (betrokkenen). Bij brief van 21 januari 1999 heeft J. Olde Kalter op de klacht gereageerd, waarbij hij ook het verweer van gelijke datum van E. Nordholt heeft gevoegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 1999. Namens klaagster zijn verschenen de heren Schrijen, Verbeeten, Van Haperen en Kessels, tezamen met de advocaat van de gemeente mr. E. Polak. Betrokkenen zijn niet verschenen. Mr. Polak heeft de klacht nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 2 november 1998 heeft een boswachter van de stichting Het Limburgs Landschap, Slofstra, een op olie lijkende film geconstateerd op het water van een beek die naar een plaatselijk natuurgebied stroomt. Slofstra heeft direct het Zuiveringschap hierover geïnformeerd. Deze heeft diezelfde middag op basis van een visuele inspectie geconcludeerd dat sprake was van een oliefilm, maar heeft tevens een monster van het water genomen. Nog diezelfde avond heeft Stadsomroep, een plaatselijke televisiezender, aandacht besteed aan het verhaal van Slofstra, waarbij verband is gelegd met een nabijgelegen terrein waar in het verleden een oliehandel gevestigd is geweest en waar de gemeente 600 asielzoekers wil huisvesten.

Op 3 november 1998 heeft het Zuiveringschap Slofstra bericht dat onderzoek van het monster had uitgewezen dat geen sprake was van olievervuiling, maar van een zogenoemd ijzervlies. De visuele beoordeling was onjuist geweest. Slofstra heeft dit direct aan Stadsomroep meegedeeld, die hier vervolgens in haar uitzending van 3 november 1998 aandacht aan heeft besteed. Op 4 november 1998 is een en ander door de milieuafdeling van de gemeente in een interne e-mail aan de wethouder milieuzaken gemeld. De gemeentesecretaris W.M.H. Verbeeten, die op 5 november kennis had gekregen van de inhoud van de e-mail, heeft op 6 november 1998 contact opgenomen met de rentmeester van het Limburgs Landschap, G.W.P. Frenken, teneinde hem zonodig te informeren over hetgeen zich de voorafgaande dagen had afgespeeld. Desgevraagd bleek Frenken daarvan al volledig op de hoogte te zijn.

Eveneens op 6 november 1998 is in dezelfde beek en een nabij gelegen poel vissterfte geconstateerd. Het Zuiveringschap heeft opnieuw watermonsters genomen. Bij brief van 20 november 1998 heeft het Zuiveringschap de gemeente onder meer het volgende geschreven:
"(...) Het meest opvallende resultaat en de directe doodsoorzaak van de vissen is het zeer lage zuurstofgehalte (...). Dit lage zuurstofgehalte kan alleen veroorzaakt zijn door bacteriële afbraak van afgevallen herfstbladeren en door afbraak van humusstoffen (...) Er is geen enkele aanwijzing dat zich in de poel en de sloot verontreinigingen bevinden, die afkomstig zijn uit de bodem van het evenemententerrein."

De strekking van deze brief was op 17 november 1998 reeds door een woordvoerder van het Zuiveringschap bekend gemaakt. In de editie van 18 november 1998 van Dagblad De Limburger is het oordeel van het Zuiveringschap als zodanig weergegeven.

In diezelfde periode heeft Nordholt over de kwestie contact gezocht met de gemeente Venlo. Hij heeft gesproken met Van Haperen, afdeling in- en externe communicatie. Deze heeft hem de e-mail van 4 november 1998 toegefaxt en heeft hem, onder verwijzing naar de woordvoerder van het Zuiveringschap en naar voornoemd krantenbericht uit Dagblad De Limburger, meegedeeld dat door het Zuiveringschap in beide onderzoeken geen vervuiling was geconstateerd.

Op 19 november 1998 heeft De Telegraaf een artikel van Nordholt gepubliceerd onder de kop "Venlo wilde gifzaak stilhouden". In dit artikel is geschreven dat de gemeente Venlo er alles aan heeft gedaan om een zware watervervuiling in de doofpot te stoppen en dat de Venlose gemeentesecretaris W.M.H. Verbeeten, tevens bestuurslid van de stichting Het Limburgs Landschap, daarbij een sleutelrol heeft gespeeld. Vermeld is ook dat de vervuiling volgens deskundigen afkomstig zou zijn van een terrein waarop de gemeente Venlo 600 asielzoekers wil onderbrengen. Voorts is beschreven dat de gemeentesecretaris contact heeft opgenomen met G.W.P. Frenken, directeur-rentmeester van Het Limburgs Landschap, om zijn ongenoegen te uiten over de handelwijze van de opzichter van Het Limburgs Landschap die de watervervuiling had ontdekt. Frenken wordt in het artikel als volgt geciteerd:
"De gemeentesecretaris was niet blij met de handelwijze van de opzichter. Hij was uiterst bezorgd over de gang van zaken, stelde dat het een ijzerhoudende bacterie was geweest die de vervuiling had veroorzaakt. Wij hebben dat bericht toen moeten rectificeren."

Frenken heeft naar aanleiding van dit artikel een brief van 19 november 1998 aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo gezonden. Hierin heeft hij onder meer geschreven dat hij geen moment het gevoel had gehad dat de gemeente de 'gifzaak' wilde stilhouden, dat de milieuafdeling alle medewerking heeft verleend om te achterhalen wat er aan de hand zou kunnen zijn en dat Verbeeten hem louter gebeld had om te verifiëren of hij van de situatie op de hoogte was. Frenken stelt onjuist te zijn geciteerd in De Telegraaf en voegt daaraan toe dat rectificatie van het bericht over de olievervuiling al had plaatsgevonden voordat Verbeeten hem belde.

Klaagster heeft bij brief van 26 november 1998 met bijlagen aan de hoofdredactie van De Telegraaf uiteengezet waarom de gewraakte berichtgeving volgens haar op diverse punten onjuist was. Zij heeft erop aangedrongen dat de berichtgeving in De Telegraaf zou worden rechtgezet. In een gemotiveerde reactie van 2 december 1998 heeft de afdeling Juridische Zaken van De Telegraaf laten weten dat zij de publicatie onjuist noch insinuerend achtte.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster meent dat Nordholt de gemeente Venlo, vooral in de persoon van de gemeentesecretaris, bewust in een kwaad daglicht heeft gesteld door met een vooringenomen standpunt zijn artikel te schrijven en daarbij voorbij te gaan aan de feiten die zijn vooringenomen en onjuiste stellingname zouden kunnen ontkrachten. De kop boven het artikel is volgens klaagster onjuist, suggestief en sensationeel. Klaagster richt de klacht mede tegen de verantwoordelijke hoofdredacteur en de uitgever.

Betrokkenen betwisten dit. Zij stellen dat de medewerker van het Zuiveringschap die de monsters nam, direct na het nemen daarvan tegenover omstanders heeft verklaard dat het zuurstofgehalte en de zuurgraad van het water in orde waren en de vissen daaraan niet dood gegaan konden zijn. Uit nader onderzoek door het gerenommeerde adviesbureau Peutz & Associees uit Mook blijkt dat de door buurtbewoners geconstateerde oliefilm op het water de opname van zuurstof in het oppervlaktewater kan beperken, hetgeen de vissterfte en het door het Zuiveringschap vastgestelde lage zuurstofgehalte mede kan verklaren, aldus betrokkenen. Zij stellen dat uit schriftelijke getuigenverklaringen blijkt dat de oliehandel die ooit op het evenemententerrein gevestigd was, jarenlang grote hoeveelheden afgewerkte olie op de beken loosde. Ook stellen zij dat hen bekend is dat Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg het saneringsplan niet zullen goedkeuren zolang niet onomstotelijk vaststaat dat er geen relatie is tussen de vissterfte en verontreiniging van het evenemententerrein. Aan Van Haperen is volgens betrokkenen gevraagd in welke functie Verbeeten met Frenken belde, als gemeentesecretaris of als bestuurslid van Het Limburgs Landschap, hetgeen relevant werd geacht. Van Haperen heeft daar op geantwoord dit niet zo belangrijk te vinden, waaruit blijkt dat het Van Haperen volledig duidelijk moet zijn geweest waar de schoen wrong, aldus betrokkenen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De formulering van de klacht, aldus dat de journalist de gemeente bewust in een kwaad daglicht heeft gesteld door met een vooringenomen standpunt zijn artikel te schrijven, is dusdanig algemeen en verstrekkend dat deze niet door de Raad kan worden beoordeeld. Wel kan de Raad oordelen over de vraag of sprake is geweest van concrete journalistieke gedragingen die onzorgvuldig zijn.

Nu betrokkenen noch de door hen genoemde getuigenverklaringen, noch het door hen genoemde rapport van Peutz & Associees hebben overgelegd, hebben zij hun standpunten niet onderbouwd. Door klaagster daarentegen is aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de gewraakte publicatie Nordholt informatie ter beschikking was gesteld die tot een andere conclusie leidde dan de gepubliceerde stellingen. Zo had Nordholt de beschikking over de e-mail van 4 november 1998 en was hij daags voor de publicatie gewezen op het op 17 november 1998 kenbare standpunt van het Zuiveringschap. Gelet op de ernst van de in het artikel geuite beschuldigingen aan het adres van de gemeente, in het bijzonder dat zij een zware watervervuiling in de doofpot wilde stoppen, was vermelding van de beschikbare nadere informatie - in het bijzonder het standpunt van het Zuiveringschap - op zijn plaats geweest. Het niet-vermelden van dergelijke informatie in de context van een artikel als hier aan de orde is journalistiek onzorgvuldig.

Voorts wordt de stelling dat de gemeentesecretaris contact heeft opgenomen met de rentmeester van Het Limburgs Landschap teneinde zijn ongenoegen te uiten over de handelwijze van de opzichter, niet door de feiten gedragen. Uit de brief van 19 november 1998 van de rentmeester blijkt dat rectificatie van het bericht reeds had plaatsgevonden vóór het telefoongesprek tussen de gemeentesecretaris en de rentmeester. Dit is door woordvoerder Van Haperen aan Nordholt meegedeeld in het telefoongesprek van 18 november 1998, voorafgaand aan de publicatie. Voor een publicatie waarin wordt opgevoerd een schijn van vermenging van functies door de gemeentesecretaris, dan wel van het door hem uitoefenen van druk op de rentmeester van Het Limburgs Landschap om het bericht te doen rectificeren, leveren deze gegevens geen grond. De publicatie is derhalve ook op dit punt in strijd met hetgeen naar journalistieke maatstaven aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voor zover deze betrekking heeft op het feitelijke bericht.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in De Telegraaf.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 september 1999 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof. mr. E.C.M. Jurgens, drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en mw. C.J.E.M. Joosten, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-55