1999/54 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.I. Meyer

tegen

NRC Handelsblad

Bij brief van 13 april 1999 met vier bijlagen heeft mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, namens J.I. Meyer (klager) een klacht ingediend tegen D. Hooghiemstra en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkenen).
Hierop heeft F.E. Jensma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 18 mei 1999 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 juli 1999. Namens klager verscheen mr. Pen. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Klager wordt genoemd in een artikel van vier kolommen in het NRC Handelsblad van 2 april 1999, dat gaat over Europarlementariër Janssen van Raay. Dit artikel bevat onder meer de volgende zinnen:

De voetbalbond VVCS en het spelerspensioenfonds CFK beschuldigden hem er in 1994 van dat hij had geprobeerd miljoenen uit het pensioenfonds over te hevelen naar een dubieus zakelijk project van zijn vriend J. Meyer op Curaçao. Janssen van Raay vertrok als voorzitter bij het CFK. Hij ontkent niet dat dit project bestond, maar wel dat hij druk zou hebben uitgeoefend om erin te investeren.

en:

De actualiteitenrubriek NOVA ontdekte in 1996 dat Janssen van Raay op briefpapier van het Europees Parlement was opgekomen voor de belangen van dezelfde zakenvriend Meyer.

De advocaat van Meyer heeft Hooghiemstra per fax van 7 april 1999 van de bezwaren tegen het artikel op de hoogte gesteld en om een reactie gevraagd vóór 14.00 uur van de volgende dag. Bij uitblijven daarvan zou hij blijkens de tekst van de fax ervan uitgaan dat Hooghiemstra zich op het standpunt stelde dat het artikel binnen de journalistieke fatsoensnormen viel en zou zijn cliënt daaruit zijn conclusies trekken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens Meyer is de informatie over hem feitelijk onjuist en diffamerend. Bovendien zou het beginsel van hoor en wederhoor ten onrechte niet zijn toegepast. Op faxen van de advocaat van Meyer van 7 en 9 april 1999 heeft betrokkene niet gereageerd.
Meyer is een zakenman. Janssen van Raay heeft VVCS/CFK in contact gebracht met Meyer. Meyer heeft vervolgens VVCS/CFK geïntroduceerd bij IMG, een sportmarketing/merchandising organisatie. Er hebben gesprekken plaatsgevonden over deelname van VVCS/CFK aan een op te zetten ademhalingscontroleproject waarvan de uitvoerende vennootschap was gevestigd op Curaçao. Deze vennootschap was volgens Meyer op geen enkele wijze aan te merken als dubieus. VVCS/CFK hebben uiteindelijk besloten van deelname hieraan af te zien.
De andere in het artikel genoemde aangelegenheid had te maken met een vordering van twee Engelse ingenieurs op een Taiwanese overheidsmaatschappij. Meyer heeft zich bij hen gevoegd en is later namens hen naar buiten getreden. Na tussenkomst van twee Britse parlementsleden is de zaak aan de Europese Commissie voorgelegd. In die fase heeft Janssen van Raay zich als belangenbehartiger opgeworpen, hetgeen leidde tot een geslaagde bemiddeling.
Meyer heeft tegen eerdere publicaties over deze zaken niets ondernomen, omdat hij dacht dat het om een eenmalige storm in een glas water ging.

Betrokkenen betogen dat de advocaat van Meyer in zijn fax aan Hooghiemstra liet weten dat hij 'zijn conclusies zou trekken' indien hij voor een bepaald tijdstip geen reactie van haar zou ontvangen. Niet reageren leek betrokkenen daarom de meest doelmatige manier om hun opvatting dat het artikel binnen de fatsoensnormen viel, naar voren te brengen.
De van VVCS/CFK afkomstige beschuldiging is door deze organisaties publiekelijk geuit in een persbericht uit 1994. Hooghiemstra heeft bovendien voor haar artikel contact gezocht met de toenmalige voorzitter van CFK.
Voor de andere zinsnede in het artikel heeft betrokkene gebruik gemaakt van een band van een uitzending van NOVA. De reactie van Meyer in die uitzending deed geen afbreuk aan de getoonde feiten.
Rechtzettingen of rectificaties van de eerdere publicaties heeft betrokkene niet aangetroffen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Meyer wordt in het artikel, dat in hoofdzaak gaat over Janssen van Raay, slechts zijdelings genoemd. De mede op hem betrekking hebbende passages zijn gebaseerd op archiefmateriaal en, wat het ademhalingscontroleproject betreft, op inlichtingen van de toenmalige CFK-voorzitter. Gelet op deze omstandigheden alsmede op de inhoud van de betreffende passages was het niet noodzakelijk Meyer voor hoor en wederhoor te benaderen. Dat die passages feitelijke onjuistheden van enige betekenis bevatten heeft de Raad niet kunnen vaststellen. De formulering munt weliswaar niet uit in zorgvuldigheid - "een zakelijk project van zijn vriend J. Meyer" bijvoorbeeld doet veronderstellen dat Meyer bij dat project nauwer betrokken was dan als bemiddelaar, hetgeen niet het geval was - maar dat is voor een gegrondbevinding van dit onderdeel van de klacht niet toereikend. De betiteling "dubieus zakelijk project" is niet misplaatst als er sprake is van plannen om pensioengelden te steken in een nieuwe onderneming, hetgeen nu eenmaal niet kan worden aangemerkt als een voor dergelijke gelden passende solide wijze van beleggen.

Ook de bewering dat Janssen van Raay op briefpapier van het Europees Parlement was opgekomen voor belangen van zijn vriend Meyer kan niet op bezwaren stuiten. Weliswaar ging het uiteindelijk om de belangen van twee Engelse zakenlieden, maar Meyer had die belangen in zoverre tot de zijne gemaakt dat hij, in de verwachting daarvoor een vergoeding te ontvangen, is opgetreden als intermediair tussen die zakenlieden en Janssen van Raay.
Het niet beantwoorden van de brieven van Meyers advocaat levert evenmin een gegronde klacht op: de formulering van de brief van 7 april 1999 was immers van dien aard ("mocht ik morgenmiddag om 14.00 uur geen reactie hebben ontvangen dan ga ik ervan uit dat u zich op het standpunt stelt dat uw artikel binnen de journalistieke fatsoensnormen viel") dat betrokkenen mochten menen dat de beantwoording daarvan ook kon bestaan uit het achterwege laten van een reactie.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 augustus 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, prof. drs. E. van Thijn, J.M.P.J. Verstegen, en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-54