1999/5 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.J. O'Brien

tegen

ANP

Bij klaagschrift van 7 september 1998 met één bijlage heeft A.J. O'Brien (klager) een klacht ingediend tegen het Algemeen Nederlands Persbureau (betrokkene). In een brief van 19 oktober 1998 heeft R. de Spa, hoofdredacteur van betrokkene, op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 1998. Klager heeft op de zitting zijn klacht toegelicht; betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 8 juni 1998 heeft in de rechtbank te Rotterdam een zitting plaatsgevonden waar een vrouw terecht stond op beschuldiging van het geven van opdracht tot moord op O. O'Brien. Deze was op 5 juli 1998 voor zijn huis in Rotterdam doodgeschoten. Een verslaggever van betrokkene is bij de zitting aanwezig geweest, waarna betrokkene hierover berichtgeving heeft verspreid.

Het slachtoffer van de moord was de broer van klager. Zijn naam is in het ANP-bericht voluit vermeld, evenals de kwalificatie "drugshandelaar" en zijn - overigens onjuiste - leeftijd. Ook is de suggestie gewekt dat de moord een afrekening in het criminele circuit betrof. De verdachte en de huurmoordenaar zijn in de berichtgeving uitsluitend met initialen aangeduid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat het in strijd is met de journalistieke verantwoordelijkheid om de verdachte wel met initialen aan te duiden, maar de naam van het slachtoffer voluit te vermelden. Dit geldt temeer waar de naam wordt gecombineerd met de term "drugshandelaar". Voorts meent klager dat zijn broer ten onrechte als drugshandelaar is aangeduid. De reden voor de huurmoord was gelegen in het feit dat de verdachte meende dat het slachtoffer haar vriend had verraden. Deze vriend, die ook een vriend van het slachtoffer was, is in 1997 in Parijs gearresteerd op grond van cocaïne-smokkel. De verdachte heeft tijdens de zitting erkend dat haar verdenking niet terecht was geweest. Tijdens de zitting is niet aan de orde geweest dat O. O'Brien drugshandelaar was of dat sprake zou zijn geweest van een afrekening in het criminele circuit. Tot slot wijst klager op de onjuiste vermelding van de leeftijd van het slachtoffer. Klager stelt zich op het standpunt dat de berichtgeving van betrokkene onjuist en onzorgvuldig is geweest. Hij heeft contact opgenomen teneinde betrokkene om een rectificatie te vragen. Ondanks de toezegging dat hij zou worden teruggebeld, is dat niet gebeurd.

Betrokkene voert aan dat zijn beleid is dat verdachten vrijwel altijd met initialen worden aangeduid en dat slachtoffers van misdrijven als regel voluit worden vermeld. Dit zowel uit het oogpunt van volledigheid, alsook om te vermijden dat naamsverwarring optreedt en te voorkomen dat slachtoffers worden geïncrimineerd. De leeftijd van het slachtoffer is ontleend aan informatie van de Rotterdamse politie. Betrokkene stelt voorts dat feiten, bewijsvoering en context zoals deze ter zitting aan de orde kwamen, erop duidden dat in de rechtszaak een liquidatie in het drugsmilieu centraal stond. Dit zou bevestigd zijn door een anonieme bron. Betrokkene meent ook dat de term "drugshandelaar" niet automatisch impliceert dat de persoon in kwestie zich crimineel gedraagt. Betrokkene acht de verslaggeving voldoende zorgvuldig en volledig. Tot slot stelt betrokkene dat hij wel degelijk contact met klager en zijn familie heeft gehad en hen duidelijk heeft gemaakt waarom hij geen reden zag eerdere berichtgeving te corrigeren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De vermelding van de naam van het slachtoffer van een misdrijf is in de regel aanvaardbaar. De Raad verwijst in dit verband naar haar beslissing in de zaak Burgdorffer tegen het Algemeen Dagblad, de Volkskrant, het Nieuwsblad van het Noorden, Veronica en de Evangelische Omroep (beslissing van 8 november 1988). Zoals betrokkene zelf in zijn verweer schrijft, kunnen specifieke omstandigheden vanuit het oogpunt van journalistieke zorgvuldigheid ertoe noodzaken hiervan af te wijken. De combinatie van de naamsvermelding met de kwalificatie "drugshandelaar" vormt een dergelijke omstandigheid, reeds nu dit ook de familie van het slachtoffer incrimineert. Vermelding van initialen was in dit geval op zijn plaats geweest.

Gelet op de toelichting van klager is bovendien de kwalificatie "drugshandelaar" in de berichtgeving van betrokkene op onvoldoende gebaseerd. Niet is komen vast te staan dat de broer van klager drugshandelaar zou zijn geweest of dat dit op de zitting van 8 juni 1998 aan de orde zou zijn geweest met betrekking tot het slachtoffer. De kwalificatie is gebaseerd op interpretatie door de journalist, welke interpretatie onvoldoende met feiten is onderbouwd.
De onjuiste vermelding van de leeftijd van het slachtoffer betreft een slordigheid die in deze kwestie geen zelfstandige betekenis heeft.

Gelet op het voorgaande meent de Raad dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene in zijn berichtgeving aandacht te besteden aan deze uitspraak.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, mevrouw A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-05