1999/49 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.D. Burgerhout

tegen

M.J.A. Verhoeven (Noordwijks Weekblad)

Bij brief van 21 maart 1999 met tien bijlagen heeft J.D. Burgerhout te Katwijk (klager) een klacht ingediend tegen M.J.A. Verhoeven, redacteur van het Noordwijks Weekblad (betrokkene).
Uitgever van het Noordwijks Weekblad, G. Verhagen, heeft daar in een brief van 31 maart 1999 met één bijlage op gereageerd. Hierop heeft klager in een reactie van 15 april 1999 met vier bijlagen geantwoord, waarna M.J.A. Verhoeven heeft gereageerd in een brief van 27 juni 1999 met vier bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 juli 1999, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Burgerhout was van 1 augustus 1997 tot medio 1998 interimmanager van de sociaal-culturele stichting JOIN te Noordwijk. Eén van de werknemers van JOIN was de heer Van der Lippe, een zoon van de enige vaste redacteur van het Noordwijks Weekblad, Verhoeven. Tussen Burgerhout en Van der Lippe bestond een verstoorde arbeidsverhouding. Het Noordwijks Weekblad publiceerde in de periode maart 1998 tot februari 1999 vele artikelen, columns, anonieme gedichten en ingezonden stukken over Burgerhout en zijn werk als interim-manager van JOIN. Daarin werd onder meer naar voren gebracht dat Burgerhout onvoldoende ervaring had, dat hij bij de sollicitatie vanwege zijn gebleken botheid werd afgewezen, dat hij uit was op de niet slecht betaalde functie van coördinator en zijn eigen baantje veilig wilde stellen. Op 3 november 1998 publiceerde het blad een ingezonden stuk van Van der Lippe, waarin deze Burgerhout beschreef als een berekenend manipulator, die steeds probeert mensen tegen elkaar uit te spelen. Een man zonder scrupules, die geen enkele moeite lijkt te hebben de waarheid te verdraaien, of zelfs te liegen om zijn vaak verborgen doel te bereiken. Het stuk werd in een voorwoord aangekondigd als een weloverwogen en van zelfdiscipline getuigend verhaal. Burgerhout uitte in een ingezonden brief van 23 maart 1998 aan het Noordwijks Weekblad zijn ongenoegen over de volgens hem onjuiste wijze waarop over hem werd geschreven. Hij liet weten dat hij Verhoeven niet te woord wilde staan omdat deze zich schuldig maakte aan belangenverstrengeling.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Burgerhout stelt dat Verhoeven misbruik van haar positie heeft gemaakt door vele stukken over hem te publiceren, zonder daarbij haar betrokkenheid te vermelden. Zij had zich als moeder van een in een ontslagprocedure verwikkelde werknemer van JOIN daarvan dienen te onthouden. Zij heeft van ondeugdelijke, anoniem gebleven bronnen gebruik gemaakt en verzuimd het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen. Met Burgerhout, noch met het bestuur van JOIN is contact opgenomen. De publicaties bevatten ongegronde beschuldigingen en zijn smadelijk, lasterlijk en beledigend, aldus Burgerhout. Hij kwam na een uitgebreid assessmentonderzoek als de meest geschikte kandidaat naar voren voor de functie van interim-manager bij JOIN. Hij heeft een ruime ervaring in projectleiderschap en directoraat van jeugdhulpverleningsinstellingen en heeft drie reorganisatie-onderzoeken geleid in middelgrote bedrijven, naast vele onderzoeken in kleine welzijnsinstellingen.
Hij weet van drie mensen die in ingezonden brieven bezwaar hebben gemaakt tegen de hetze en/of de feitenweergave, maar die brieven werden niet geplaatst.

Verhoeven betoogt dat zij zoveel aandacht aan JOIN heeft besteed vanuit een algemeen belang, namelijk dat van de vele bezoekers en vrijwilligers bij het voortbestaan van de stichting .
Zij is altijd bereid geweest om met het bestuur van JOIN van gedachten te wisselen, hetgeen zou blijken uit het feit dat zij in januari 1998 een gesprek heeft gehad met twee bestuursleden. Juist vanwege het feit dat Van der Lippe haar zoon is, werd zeer zorgvuldig met de feiten omgesprongen en heeft zij ook vele andere, betrouwbare bronnen geraadpleegd, zoals bezoekers en vrijwilligers van JOIN, politici, leden van het vorige en huidige bestuur van JOIN, jongerenwerkers en activiteitenbegeleiders. Burgerhout heeft steeds geweigerd met haar te spreken. Verhoeven vond de niet geplaatste ingezonden brieven grammaticaal beneden peil en beroept zich op het recht van een redactie om brieven al dan niet te plaatsen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat met de, grotendeels uit herhalingen bestaande en vooral op de persoon van Burgerhout gerichte, niet aflatende stroom van negatieve publicaties in het Noordwijks Weekblad over de Stichting JOIN enig maatschappelijk belang werd gediend. De Raad kan niet vaststellen of die publicaties feitelijke onjuistheden bevatten, maar wel dat daarin van evenwichtige, objectieve berichtgeving geen sprake is: Burgerhout wordt steevast en in alle toonaarden afgeschilderd als een onbetrouwbaar, incapabel en slechts op eigen gewin uit zijnde persoon, aan wie niets deugt. Ieder nuancering in dat beeld ontbreekt. Ter rechtvaardiging daarvan heeft Verhoeven zich erop beroepen, dat Burgerhout haar niet te woord wilde staan, maar dat beroep faalt nu Burgerhout ten tijde van die weigering al gegronde redenen had te betwijfelen of Verhoeven werkelijk inhoud zou willen geven aan hoor en wederhoor. Verhoeven heeft het arbeidsconflict waarin haar zoon verwikkeld was geraakt met JOIN een centrale plaats gegeven in haar aanvallen op Burgerhout en aldus onmiskenbaar haar positie als journalist dienstbaar gemaakt aan persoonlijke belangen. Door haar onevenwichtige en door persoonlijke belangen gestuurde berichtgeving heeft Verhoeven de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Noordwijks Weekblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 augustus 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, prof. drs. E. van Thijn, J.M.P.J. Verstegen en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-49